Het journaal, de krant en nog veel, veel meer

juni 30, 2008 at 8:12 pm (Just a blog) (, , , , )

Ik zal iets vreselijks bekennen: ik kijk (bijna) nooit naar het journaal. Af en toe besluit ik rigoureus dat het eens afgelopen moet zijn en daar zit ik dan, 8 uur ’s avonds, op de bank met konijn op z’n kleedje naar het journaal te kijken. Vol goede moed, glaasje drinken erbij, dekentje als het koud is en konijn krijgt een snoepje.

Maar het probleem komt nu pas… Als ik dan eenmaal naar het Journaal kijk weet die nieuwslezer me binnen twee minuten het gevoel te geven dat ik een enorme idioot ben. Het journaal is net een serie waar je vanaf de eerste aflevering fan van moet zijn geweest om het te volgen: alles, werkelijk álles is vervolgnieuws op iets dat gisteren, vorige week, drie maanden geleden of drie eeuwen geleden is gebeurd. Wat moet ik daar nou mee? Ik wil weten wat er vandáág gebeurd is, niet vorige week.

Kranten lees ik ook niet, alleen op zaterdag de nutteloze bijlagen (‘Boeken’, ‘HartenZiel’, zelfs tot mijn grote gêne ‘Sport’), werkelijk alles dat niet op actualiteiten lijkt. Het fijne aan die bijlages is namelijk dat je daar geen voorkennis voor hoeft te hebben: een wetenschappelijk onderzoek wordt idiot-proof uitgespeld en alle verwijzingen naar onderzoeken in het verleden ook duidelijk uitgelegd. De mensen die de sportsectie schrijven hebben een geheugen dat in termijnen van de afgelopen voetbalwedstrijd denkt en niet verder terug, wat ook weer scheelt want aan een voetbalwedstrijd is verder ook weinig op te merken behalve de stand die altijd wel ergens vermeld wordt, en zo niet: dan was ie niet interessant of willen we er niet meer over nadenken en dan gaat het artikel er dus ook niet over. Interviews in van die leuke magazines zijn altijd ook wel lollig, niet dat ik die mensen ken maar je hebt toch wat te lezen wat over het algemeen interessanter is dan de pindakaaspot.

Het is niet zo dat de hele wereld aan mij voorbijgaat: als het belangrijk is, hoor ik het tóch wel en als het écht ergens over gaat lees ik er ook heus wel over. Maar om nou te zeggen dat ik helemaal ‘up to date’ ben als ik om onchristelijke tijden ’s ochtends op de fiets stap om naar school te sprinten, nee.
Als ik iets wil weten, zoek ik het op in de krant van vorige week die doorgaans toch nog wel op tafel ligt, en op het wereldwijde web is er altijd wel een artikeltje over te vinden.
Kortom: deze blogger, die op haar blog nog wel een aparte afdeling ‘Actualiteit’ heeft gemaakt bekent bij deze niet altijd up to date te zijn. Nu ik dat zo typ is dat eigenlijk best wel triest voor iemand die naar 4 gymnasium gaat. Hm. Misschien moet ik toch maar eens de krant lezen. Of naar het journaal kijken…

 

Permalink Laat een reactie achter

Globalisering

juni 22, 2008 at 6:48 pm (Mijn Mening) (, )

Globalisering: Hemel of hel?

 

De definitie van globalisering luidt als volgt: ‘Proces waarin verschillende delen van de wereld steeds beter met elkaar in contact komen, communiceren en, vooral, handelen’. Uit deze definitie kunnen we dus afleiden dat globalisering iets van alle tijden is, dat de laatste jaren steeds sneller en gemakkelijker gaat. Waarom het makkelijker gaat? Door onze sterk verbeterde communicatiekanalen; we hebben telefoons, internet, televisie en radio en zijn tegenwoordig binnen anderhalve minuut van álle ontwikkelingen in de wereld op de hoogte! Door de vliegtuigen, schepen en vrachtwagens reizen onze handelsproducten met het grootste gemak de hele wereld door voordat ze op hun uiteindelijke bestemming aankomen.Dankzij de globaliseringen zou uiteindelijk grote verschillen tussen ‘Noord’ en ‘Zuid’ moeten vervagen, samen met de verschillende culturen en, niet te vergeten, de landsgrenzen. Die verschillen zijn nu echter nog duidelijk te zien; de gemiddelde levensverwachting bijvoorbeeld verschilt gigantisch. Het rijkste land had in 2004 een inkomen dat 100x zo groot was als dat van het armste land! Ook is het idee dat mensenrechten eindelijk weer universeler zouden worden dankzij het vermengen van culturen en het vervagen van de landsgrenzen.Dat zou natuurlijk een geweldige ontwikkeling zijn; maar is het wel zo?

Dit artikel gaat dieper in op de globalisering: wat zijn de voordelen, wat zijn de nadelen? Ik richt me vooral op de ontwikkelingslanden als India, die volgens sommigen een fantastische kans krijgen om te groeien. Anderen zien dat anders en vinden dat er verschillende addertjes onder het gras zitten.


Globalisering is dé kans voor ontwikkelingslanden om economisch te groeien en rijker te worden.

 

Vele mensen zijn het hier helemaal mee eens. Ze zijn van mening dat de komst van buitenlandse bedrijven (multinationals) in ontwikkelingslanden, zoals India of China, alleen maar positieve gevolgen kan hebben; de economie trekt aan, beurskoersen stijgen, mensen krijgen de mogelijkheid hun spaargeld te beleggen in plaats van het op de bank te zetten, wat soms lage rentes en op den duur zelfs verlies oplevert. Dit is bijvoorbeeld in China aan de gang; de rentes op spaarrekeningen zijn ontzettend laag, de inflatie is hoog; gevolg is dat het spaargeld steeds minder waard wordt. Chinezen besluiten hun spaargeld op de beurs te beleggen; de beurskoerst stijgt enorm en de Chinese bedrijven lopen fantastisch.

Nadeel is dat men de waarschuwingen van deskundigen negeert omdat ze als in een roes dóór blijven gaan met beleggen; economen uit de hele wereld waarschuwen dat de Chinese beurs binnen niet al te lange tijd in elkaar zal storten. Het kan nu éénmaal niet blijven stijgen en op het moment dat het fout zullen talloze Chinezen verschrikkelijke hoeveelheden geld verliezen. Zien we de globalisering dan nog steeds als een ronduit positieve ontwikkeling voor landen als China?

 

Wat veel mensen als één van de belangrijkste voordelen aandragen, is dat door het oprichten van vestigingen van multinationals in ontwikkelingslanden er meer werkverschaffing komt. Voorbeeld; als het callcenter van Harrod’s (Londen) in India is, dan betekent dat in India meer banen ontstaan. Er zijn immers mensen nodig om in de callcenters klanten te woorden te staan. Werkverschaffing betekent minder werklozen en dus minder armoede.

Wat deze mensen hierbij alleen vergeten, is dat het callcenter dat nu in India gevestigd is eerst in Londen of elders was. Daar hadden mensen dus een baan; door het callcenter te verplaatsen naar een land waar men goedkoper en/of efficiënter werkt, helpt je daar wel mensen, maar ontsla je dus mensen die niet in India werken maar in het oorspronkelijke callcenter. Gevolg: effectief heb je niet méér banen, alleen banen op een andere plek!

Wat eveneens een belangrijk nadeel is, met het oog op de werkverschaffing: de vraag is wát voor werk er gedaan moet worden! Vaak zijn de lonen onder het minimumloon, moeten de werknemers meer dan 14 uur werken, moeten ze verplicht (en onbetaald!) overwerken en zijn de omstandigheden vaak een gevaar voor de gezondheid door het werken met allerlei chemische stoffen. Kinderarbeid komt niet zelden voor; kinderen worden vaak ontslagen als ze ’s nachts proberen naar school te gaan. De fabrieken zijn vaak de enige inkomstenbron in de regio, waardoor er geen andere keus is dan doen wat er gezegd wordt.

 

Wat ook een voordeel genoemd wordt is de technische vooruitgang in ontwikkelingslanden. Het idee is, dat doordat multinationals nieuwe fabrieksmachines, telefoons, computer en dergelijke te introduceren het land in kwestie er technisch veel op vooruit zou gaan, wat de globalisering vervolgens weer versnelt doordat ook het ontwikkelings beschikking krijgt over betere communicatie- en verbindingswegen.

Nadeel hiervan is alleen dat techniek, zoals auto’s, vrachtwagens, treinen, vliegtuigen, telefoons en computers, niet bepaald gunstig zijn voor het milieu. Het werkt elkaar tegen; waar landen als Amerika aan de ene kant hun best doen om hun CO2-uitstoot te verminderen en milieubewuster te gaan leven, verkopen ze aan de andere kant enorme hoeveelheden ‘milieumoordenaars’ aan andere landen, waardoor ook die landen dus meer CO2 gaan uitstoten.

 

In de loop der tijd hebben veel ontwikkelingslanden in onder andere Afrika en Azië geld geleend van verschillende ‘geldschieters’, waaronder de Wereldbank. Dit deden ze om hun schulden aan andere landen af te kunnen lossen. Dit zou hen de kans geven ‘opnieuw’ te kunnen beginnen zonder schuld, zodat ze konden proberen door een andere weg in te slaan hun economie op te krikken en een rijker land te worden.

Het is jammer dat deze landen hiermee vaak ongezien een gigantisch risico lopen. Als hun ‘geldschieters’ om wat voor reden dan ook plotseling hun geld terugtrekken uit de economie van het land, dan is er grote kans dat het land in kwestie gewoon failliet gaat en de rentes op hun leningen niet meer kunnen betalen. Zij kunnen nog wel bij het IMF terecht, maar alleen als de overheid strenge maatregelen treft waarbij vooral minder geld gaat naar onderwijs, gezondheidszorg en verbetering van krottenwijken: nog steeds zo positief?

 

Eén van de grootste nadelen is misschien wel, dat er veel oneerlijke handel plaatsvindt. De arme boeren uit onwikkelingslanden kunnen vaak gewoon niet op tegen de boeren uit westerse landen door alle maatregelen die getroffen worden. Zo krijgen de boeren in westerse landen vaak hoge subsidies. Hun landbouwoverschotten verschijnen voor lage prijzen op de wereldmarkt en boeren in arme landen kunnen hun waar niet meer verkopen omdat ze genoodzaakt zijn er hogere prijzen voor te vragen omdat ze de kosten die ze maken om het te produceren eruit moeten halen. Het Noorden beschermt zo zijn eigen economie, ook door impolrtbelastingen te heffen om de import van goedkope producten uit het Zuiden tegen te gaan. Deze protectiemaatregelen zijn gunstig voor hun eigen economie, maar funest voor het Zuiden, waar vele boeren failiet gaan en naar de stad moeten trekken in de hoop daar een baan te vinden.

Kortom: over een onderwerp als globalisering zijn de meningen enorm verdeeld. In mijn ogen er zowel voor- als nadelen, hoewel ik in veel gevallen de nadelen zwaarder vind wegen. Het feit dat mensen uitgebuit worden en bepaalde landen denken een fantastische kans te krijgen, maar in werkelijkheid enorme risico’s lopen vind ik geen goede manier van doen. Globalisering opzich is in mijn ogen een goede ontwikkeling, mits het op de goede manier gebeurt en dat is vaak niet het geval. Het is zeker belangrijk dat de verschillen tussen Noord en Zuid vervagen, de mensenrechten universeler worden en de armoede bestreden wordt; op deze manier werkt het echter volslagen averechts en daar moet iets aan gedaan worden. En snel ook.

Permalink Laat een reactie achter

‘Lijmen’ – W. Elsschot

juni 22, 2008 at 6:45 pm (Literatuur) (, , , )

Ook deze recensie heb ik een tijd geleden voor school geschreven. We kregen een nogal strak schema op en de recensie is behoorlijk ‘zakelijk’ – niet helemaal mijn stijl, maar ik zal ‘m toch zo publiceren als hoe ik hem destijds heb ingeleverd.

‘Lijmen’ – Willem Elsschot.
Verschenen in 1924, later verscheen een vervolg: ”Het been”.

A) Samenvatting.
‘Lijmen’ vertelt het verhaal van de hoofdpersoon en verteller ‘Laarmans’, die zijn verhaal aan een oude jeugdvriend vertelt die hij ontmoet in een café. Het vertelt hoe Laarmans de oude Boorman ontmoet, die hem leert te ‘lijmen’, klanten zover krijgen een flinke hoeveelheid ‘Wereldtijdschriften’ te kopen die hoofdzakelijk uit onzin bestaan. Uiteindelijk is de bedoeling dat Laarmans het bedrijf overneemt.

B) Hoofdpersoon: Karakter, normen en waarden
‘Laarmans’ is in het begin van zijn verhaal een vrij verlegen, simpele man die door de oude Boorman op sleeptouw genomen wordt. Hij snapt aanvankelijk weinig van wat hij allemaal te doen krijgt en loopt voornamelijk achter de oude man aan: (p. 14) ”Zoudt u daarmede niet alvast afrekenen?’ vroeg de man [Boorman] met een blik op mijn fornuis. Ik legde mijn pijp op de grond, zette mijn hiel erop en drukte de kop tot gruis.”. Naarmate het boek vordert blijkt hij intelligent te zijn en veel inzicht te hebben in de gedachten van mensen; (p. 11) ‘De meester-smid wierp een moedeloze blik op de technische mestvaalt (…) hij probeerde op te luisteren door aan zijn verwaaide snor te draaien.’ Hij heeft over het algemeen weinig medelijden van de eigenaren van bedrijven die Boorman te gronde helpt door het verkopen van veel te grote hoeveelheden tijdschriften; slechts met één vrouw heeft hij wel medelijden, de eigenaresse van een smederij.

C) Vergelijking hoofdpersoon: begin en einde van het boek.
Het verhaal van Laarmans beschrijft zijn ontwikkeling van verlegen jongeman naar een oplichter eersteklas. Aanvankelijk begrijpt hij niets van wat hij moet doen; later wordt hij steeds sluwer en handiger in het zakendoen en steeds meedogenlozer tegenover de mensen die hij oplicht. Daarbij ontwikkelt hij een zekere flair; het feit dat hij plotseling geld te over heeft geeft hem het idee dat hij de wereld aankan: (p. 8) ”Wat of ik uitvoer? Ja, wat zal ik zeggen? Makkelijk om te vertellen is dat niet (…) Nog een stout?” En hij bestelde werkelijk nog twee flessen. ‘Ik betaal alles,’, stelde hij gerust.”

D) Relatie hoofdpersoon tot andere personages
Laarmans ontmoet in het begin van zijn verhaal de oude heer Boormans; hij heeft veel ontzag voor de man, die volkomen zelfverzekerd is en ontzettend handig is in het ‘lijmen’. Pas veel later in het verhaal durft hij af en toe iets tegen Boorman in te brengen, maar ook dan is Boorman nog altijd de absolute baas.

E) Vertelperspectief.
Eigenlijk zijn er twee ik-personages; de eerste is de man die Laarmans ontmoet en waaraan Laarmans zijn levensverhaal vertelt; (p.7) ”Ik had de man, die één tafel verder tegenover mij zat, reeds een paar keer aangekeken (…)”. De rest van het boek, vanaf het 2e hoofdstuk, vertelt Laarmans zijn verhaal in het ik-perspectief; (p. 10) ”Ik heb Boorman ontmoet, zoals wij elkaar gisteren ontmoet hebben, namelijk in een café, geheel onverwachts, maar nog iets later in de avond.”

F) Spelingen met de tijd?
Het boek bestaat voor een groot deel uit flashbacks, Laarmans en de eerste, naamloze ik-persoon ontmoeten elkaar na jaren en Laarmans vertelt zijn levensverhaal. Dit gebeurt dus nadat alles heeft plaatsgevonden waardoor het boek één grote flashback is. De ‘open plek’ is dus aan het begin van het boek alles tussen Laarmans’ eerste zinnen van zijn verhaal en het moment dat hij dit aan het vertellen is aan zijn jeugdvriend. Naarmate het boek vordert vult deze open plek zich met het levensverhaal van Laarmans, tot op het moment dat hij het aan het vertellen is aan zijn vriend.

G) Drie argumenten waarom u dit boek zou moeten lezen.
1) Dit boek is één van de bekendste boeken van de Nederlandse literatuur. Willem Elsschot staat bekend om zijn ‘pure’ manier van schrijven; zijn schrijfstijl is simpel, zonder poespas en juist daarom komen de vele grapjes en mooie passages goed tot hun recht.
2) Het boek is ontzettend geestig geschreven: juist door het pure taalgebruik komt de humor van het verhaal beter naar voren. Vooral de oude Boorman heeft een bijzondere kijk op het leven en een bijzonder inzicht in de manier waarop mensen denken: (p. 62) ”Aan dat incasseren zal je plezier beleven want de meesten beseffen pas waar het om gaat als je ze de kwitantie onder de neus houdt. Dan voelen zij zich als bij een wandeling in een bos met een beminnelijke gezel die onder ‘t kouten een pistool uit zijn gordel trekt.” Het boek is doorspekt met dit soort opmerkingen van de oude man, en dit in combinatie met het vaak wat timide, simpele denken van Laarmans is heel vermakelijk.
3) Door het ik-perspectief kun je je vanaf de eerste drie regels van het verhaal van Laarmans goed verplaatsen in hem. Hij begint te vertellen wat hij aan het doen was vlak voor hij Boorman ontmoette; (p. 10) ”Ik had lusteloos achter een vlag gelopen, ‘k weet zelf niet meer ter ere van wie. Een liberaal of iets van dien aard.” Dan vertelt hij hoe hij eigenlijk diep ongelukkig was, maar simpelweg niet wist hoe hij daar iets aan kon doen: (p. 11) ”Toen ik in het bijzonder aan de ‘’salutations distinguées” dacht die ‘k over dertig jaar nog typen zou, keek ik rond of ik soms iemand de vrees zat te bekijken die op mijn gezicht te lezen stond.’

Permalink Laat een reactie achter

Nooit meer Aardrijkskunde

juni 18, 2008 at 6:39 pm (Just a blog) (, , , , )

Vandaag heb ik een tijdperk van mijn leven afgesloten: het tijdperk waarin ik Aardrijkskundelessen had. Heerlijk, zo’n verleden tijd kunnen gebruiken als het betrekking heeft op zo’n kulvak als Aardrijkskunde! Het is vast een ontzettend leuk, boeiend, geweldig en wat-al-niet-meer-vak als ik niet zo’n sááie lerares had gehad en dat drie jaar lang. Na drie jaar dezelfde lesopbouw (een stukje uitleg, opdrachten maken uit het boek, opdrachten nakijken uit het boek… Een stukje uitleg en tot slot, spannennnd…. een filmpje! Wihoe, wéér een filmpje van www. aardrijksknudde.docenten.saaiheid.nl)

Het boek helpt ook niet mee met z’n Jip-en-Janneketaal: een tekst over brandhaarden in de wereld is toch minder pakkend als het verteld wordt alsof je buurjongetje gisteren met een schepje op het hoofd van een buurmeisje heeft geslagen en dat was níet lief van het buurjongetje want het buurmeisje kon er niets aan doen dus had het buurjongetje haad niet op haar hoofd mogen slaan met dat schepje… Voorin het boek staat ”Omdat een mooi vak een prachtig boek verdient”. Weten we dat ook weer.

Daarbij bleek ook nog dat we op een gegeven moment tijdens de lessen aardrijkskunde economie gingen doen ‘omdat de aardrijkskundedocent dat best ook konden uitleggen en het had toch met elkaar te maken en de roostermaker had geen zin om er tijd voor vrij te maken in het echte rooster’. Daar zit je dan met je leuke nog net niet met de hand bij elkaar geniete boekje met kulopdrachten over economie van het soort ”wat is het verschil tussen winst en verlies en bereken de winst van bedrijf x als ze 100 euro uitgeven en 50 euro verdienen aan hun product”. Zie dan je ogen maar eens open te houden.

Maar goed, dat heb ik nu allemaal achter me gelaten. In een klas van dertig leerlingen kiezen er drie aardrijkskunde en ik ben één van de 27 die het godzijdank mag laten vallen. Toen ik het lokaal uitliep (om de feestvreugde te verhogen was dit ook nog het o-zo-gehate échte ”aardrijkskundelokaal” waar ik nu dus nóóóóóit meer aardrijkskunde zal hebben!) heb ik diep ademgehaald, de aardrijkskundevrije lucht opgesnoven en na een laatste blik op het roosterbord voor morgen -hebben we niet nog per ongeluk een steruur aardrijkskunde ofzo?- weet ik het zeker: nooit meer aardrijkskunde voor mij. En dat, dát is een heerlijk gevoel.

 

Permalink Laat een reactie achter

De tekenperikelen van een a-tekenares

juni 14, 2008 at 3:34 pm (Just a blog) (, , , , )

Léuk, denk je ook eens bijna zomervakantie te hebben en welverdiend ook, na een jaar hard zwoegen om alle leuke projecten, opdrachten, huiswerkopdrachten en proefwerken op tijd gemaakt en voorbereid te hebben en dan geven ze je in een laatste lesweek ineens een TEKENOPDRACHT.
En ik had nog wel tekenen laten vallen aan het begin van dit jaar, was ik daar in ieder geval vanaf: een schrale troost aangezien ik Duits zelfs tot en met de vierde moet zien vol te houden, maar tekenen kon dan toch tenminste niet meer op mijn rooster verschijnen. In ruil daarvoor wel muziek, maar dat is geen straf. Tekenen wel.

Het is ook nog eens niet zómaar een Tekenopdracht: het is een Levensbeschouwelijke Tekenopdracht. Ik moet mijn Zelfbeeld, Mensbeeld, Kijk Op De Wereld, Religieuze Overtuiging (indien ik die heb), Cultuurkenmerken, kortom mijn hele leven, op één A4′tje duidelijk maken. Liefst met veel symboliek, vredesduifjes en kruisjes want het moet natuurlijk wel lekker onbegrijpelijk zijn, het blijft Levenbeschouwing.

Het probleem is dat ik niet kán Tekenen. En dat zou opzich niet zo’n probleem zijn als ik niet zo’n verschrikkelijke perfectionist zou zijn die het niet kan hebben als ze iets niet kan. Helaas ben ik dat dus wel, een ‘Perfectionist tot in de kist’ noemt men dat. Daarnaast ben ik ook een slecht verliezer en een nóg slechtere opgever, vandaar dat ik mijn halve zaterdag bezig ben geweest met Levensbeschouwelijke Tekeningen maken. Allemaal even lelijk en met de meest ingewikkelde symboliek die mijn ouders (die toch respectievelijk ex-godsdienstlerares en robotmaker zijn) niet konden ontcijferen. Zelfs een periodiek systeem of een slinger van Foucault kost mij flink wat moeite om te tekenen, laat staan een wereldbol waar de continenten enigszins herkenbaar zijn als zijnde Afrika, Zuid-Amerika of Antarctica. Na héél veel research (Google is de held van vandaag) en ongeveer evenveel gemopper later heb ik met behulp van een passer een wereldbol weten te creëeren met continenten en ik heb het zelfs gepresteerd een als zodanig herkenbare hand te tekenen. Gevolg is wel dat de helft van mijn uit een vergeten kist opgediepte kleurpotloden nog maar voor de helft bestaan en dat mijn gum inmiddels niet meer is.

Nu verschillende mensen me hebben verzekerd dat de tekening – mijn tekenkunsten in overweging genomen – nog best aardig gelukt is en zó ingeleverd kan worden, heb ik me er maar bij neergelegd: mooier dan dit gaat ‘ie niet worden. Ik geloof dat de kunstzinnigheid in mijn familie een generatie heeft overgeslagen…

Permalink Laat een reactie achter

Over enig kinderen en vele huisdieren

juni 12, 2008 at 6:37 pm (Just a blog) (, , , , , )

Laat ik maar met de deur in huis vallen: ik heb geen broers of zussen. Niet dat ik dat zo graag zou willen, ik vind het wel prima zo. Vroeger was het weleens lastig, echt iemand om mee te spelen heb je dan niet en ook niemand om mee ruzie te maken als je daar nou net zo’n zin in hebt. Voordelen zijn dat je altijd de aandacht hebt, je altijd lekker even ‘alleen’ kunt zijn en al je speelgoed van jou, alleen van jou en van niemand behalve van jou is.

In mijn omgeving waren er ook niet zo heel veel kinderen: ik had maar één buurjongetje, verder waren er overal alleen maar 0 tot 1-jarigen. Neven en nichten waren allemaal flink wat ouder dan ik maar gelukkig ging ik al vrij snel naar de crèche waar ik vriendjes kon worden met zo’n 25 andere kinderen naar keuze. Niet dat ze alle 25 even leuk en aardig waren in mijn 2 jaar oude oogjes maar het zóu kunnen en daar gaat het nou even om. Daarnaast vond ik het eigenlijk ook wel prima om met volwassenen om te gaan, kon je tenminste een goed gesprek mee voeren.

Kortom: mijn leventje als enig kind is zo slecht nog niet en nooit geweest ook, maar desondanks heb ik altijd een grote liefde voor dieren gehad en er zijn dan ook zeer veel huisdieren geweest, van vis tot hamster en van muis tot een zéér agressief konijn, die dit huis hun ‘thuis’ konden noemen, als ze hadden kunnen praten tenminste. Ik wilde per sé op paardrijden, al vanaf dat is wist wat het ongeveer inhield en dat is me dan ook gelukt. Daarmee was de kous echter nog niet af: al op vierjarige leeftijd kon ik mezelf de trotse eigenaar van een konijn noemen. Een rotbeest, achteraf gezien, ze viel je letterlijk aan als je het hok wáágde te openen voor iets anders dan om eten te geven. Na 2,5 jaar was ze dood, tot groot verdriet van mij en tot vreugde van mijn ouders, die 2,5 jaar lang met flinke krassen op hun handen hadden rondgelopen (gut, hebben jullie een nieuwe kitten?). Na het konijn volgde een kleine adempauze en, door omstandigheden wijs geworden, deden we het dit keer rustiger aan: sluierstaartvissen. Ook die hielden het helaas niet héél lang vol en ze hadden ook een bijzonder laag knuffelgehalte. De muizen die volgden vond ík wel leuk, maar mijn moeder absoluut niet. Ook deze bleken niet erg knuffelbaar voor een inmiddels 8-jarige en ook niet erg langlevend; 2 jaar en 3 muizen later was het hokje weer onbewoond. De hamster die er vervolgens in kwam te huizen was wél een schat van een beest en hij hield het bijna 3 jaar uit, een uitzonderlijke prestatie voor een gewone Syrische hamster. De hamster die erop volgde was ‘ook leuk’, maar minder knuffelbaar en angstiger dan ‘onze Houdini’, de eerste hamster. Nadat ook deze hamster stierf op de respectabele leeftijd van 2 jaar verkocht ik het hok dat een thuis was geweest voor zoveel knaagdieren via Marktplaats en het huisdierentijdperk leek afgesloten te zijn.

Niets bleek minder waar: bij een bezoek aan de plaatselijke dierenspeciaalzaak (je schijnt het geen dierenwinkel te mogen noemen) onder het mom van ‘gewoon even kijken, da’s leuk’ viel ik als een blok voor het leukste konijn uit de hele zaak: na een enigszins impulsieve ‘reservering’ woonde er plotseling nog geen anderhalve week later een konijn bij ons in huis. Vol goede moed begon ik met de opvoeding die verbazend goed verliep: ‘Tristan’ – alias Nijnemans – gedijt zeer goed in onze huiskamer en hij mag er trots op zijn dat hij één van de weinige Centraal Verwarmde Huiskonijnen in Nederland is. ’s Winters vraagt hij soms ’s avonds of de kachel een graadje hoger mag, hij heeft een eigen Ikea-kleedje (van ongeverfde katoen, alleen het allerbeste is goed genoeg!), een prachtig hok, een eigen wc waar hij keurig zijn behoeftes in doet, een mooi drinkflesje dat elke dag gevuld wordt met vers water, een liksteen waar hij al twee jaar geen lik van heeft genomen en een flínke voorraad speelgoedjes en snoepjes.

’s Avonds, als de tv aangaat, laten we het konijn los. Waar hij eerst alleen op zijn kleedje zat zwerft hij inmiddels door de hele woonkamer heen. Hij knaagt helaas wel aan alles wat los en vastzit (inclusief de piano en de handleiding van de cd-speler die wij al jaren kwijt waren maar die hij weer heeft gevonden) maar daar valt wat aan te doen. Het konijn springt op de bank als hij een snoepje wil, kan uren naar de tv kijken, houdt vooral erg veel van de kleur blauw en weet dondersgoed waar hij wel en niet mag zijn maar doet het lekker tóch. Hij kan zich heerlijk op z’n zij laten vallen en dan gaat hij ook nog liggen ‘duimen’ met een pootje in z’n mond. Hij is beledigd als je over z’n lange oren begint, of over zijn kleine staartje: verder wordt hij graag in het gesprek betrokken en zou hij waarschijnlijk het liefst ook nog een stem hebben in waar we vanavond naar gaan kijken.
Eigenlijk is het konijn sprekend… een enig kind.

 

 

 

 

Permalink Laat een reactie achter

Oranjegekte en een overwinning

juni 9, 2008 at 9:20 pm (Just a blog) (, , )

Ik heb weer genoten vanavond, zoals eigenlijk altijd het geval is bij voetbal. Niets heerlijkers dan op een rustige zomeravond (of winteravond, of herfstavond… Eigenlijk maakt dat niets uit) voor de tv te gaan zitten en uitsluitend onintelligente programma’s kijken. Over het algemeen houdt dit een rantsoen van Hollands Next Top Model, Dancing with the Stars, De Italiaanse Droom en Hell’s Kitchen in, maar ten tijde van het EK is het al helemáál goed toeven.

Al weken van tevoren wordt je erop voorbereid: posters met alle speeldata, Trom-Petten, oranje vlaggetjes, markiezen, ballonnen, T-shirts, polo’s, tuinbroeken, pasta en, last but not least, de Welpie van de AH. Kortom: supportershebbedingetjes zat, voor elk wat wils (of niet wils, het gros van de voorwerpen wordt je door de strot geduwd bij elke 9,95 aan boodschappen bij een willekeurige winkel). Zelf spaar ik voornamelijk de Welpies, die overigens lang niet zo goed plakken op fietsbellen als het op de reclame leek maar vooruit, het Welpielied is briljant en zo langzamerhand zou er toch een Nobelprijs voor de Reclame gegeven moeten worden aan de marketingafdeling van Albert Heijn.

En dan is het zover: na weken van oranjespullen verzamelen en complete weddenschapspoules waarbij de meest idiote standen voorbij komen is het dan de avond dat Nederland speelt. De Trom-Petten worden nu gebruikt, de Welpies mogen daadwerkelijk dienstdoen en half Nederland reist af naar Bern om de van tevoren zo zeker lijkende nederlaag van Nederland tegenover Italië te aanschouwen.
Ik zetel mij uiteraard ook voor de tv, oranje dekentje om, het konijn mag op z’n kleedje liggen met een oranje konijnensnoepje en de Welpies krijgen een ereplaatsje.

Ik zal eerlijk zijn: ik heb genoten. De Nederlanders speelden lang niet slecht en hoewel het tegenviel dat de Italiaanse spelers bepaald niet knap waren was het een heerlijke avond. Maar het genieten voor mij is toch vooral vanwege het commentaar, en dan bedoel ik niet alleen Cruijff die tijdens de rust de onsterfelijke woorden ‘Als de scheidsrechter fluit, dan heppie gelijk’ wist te produceren.
De commentator van de wedstrijd was in één woord fantastisch: bij het eerste doelpunt kon hij zelf nauwelijks geloven dat hij zat en er kwam slechts een verbaasd ‘huh? ooh… hij zit’ uit. Al snel ben ik met een blocnote bij gaan houden wat de beste man in het heetst van de strijd allemaal uitkraamde en dat is niet mis, de wijsheden vlogen je werkelijk om de oren, daar kunnen we het weer een tijdje mee doen:
‘Het moeilijkste aan voetbal is een doelpunt scoren’. Gek, je zou toch zeggen dat dat het steen-papier-schaar tussen de reservespelers was…
‘Daar werd van gezegd dat het een éénmalig wonder was’ Tja, dat heb je wel eens met wonderen. Het zou toch afbreuk doen als het vaker voorkwam.
‘Nu was het een blonde engel in de gedaante van de duivel’. Jaja, je ziet ‘m ook ohoveral! *pling*
‘Nu gaat het aankomen op de tweede lettergreep van het woord ”wedstrijd”’. Gelukkig heeft hij goed opgelet in groep 4.
‘Die wissel maakt niet zoveel uit, alleen een andere naam op die plaats… Nou ja, wel een prachtige naam natuurlijk: del Piero.’ Drie maal raden hoe z’n volgende zoon heet. Juist ja, Piet.
‘Van Basten geeft effe door wat de Italianen straks gaan doen.’ Maar als hij toch in de toekomst kan kijken kunnen we toch net zo goed meteen door naar de finale?
‘Er wordt altijd wel een keer op ‘t doel geschoten’. ‘t Zou toch naar zijn als dat niet zo was bij voetbal.
‘Dat is toch het laatste konijn dat uit de hoed kan komen.’ Fijn dat het konijn er ook bij betrokken wordt, persoonlijk zou ik het een Italiaan noemen, enfin.
‘Onderkant van de paal was ook mooi geweest’. Ja, we willen wel eens vaker dat er gescoord wordt in plaats van een faliekante misser.
‘De Italianen willen van dit veld af… Die willen niet eens meer douchen.’ Nou je begrijpt, dán is het end zoek.
‘Dat is zo’n wedstrijd waar je niet ‘t doel moet vrijgeven.’ Dat moet anders namelijk wél, da’s wel zo aardig voor je tegenstander.
‘Cassani waar velen niet meer van wisten dat ‘ie bestond.’ Nee, ik ook niet.
‘Van Persie zou er ook in moeten, maar voor wie? Je kunt moeilijk met z’n twaalven gaan spelen.’ Een waarheid als een koe.

Nee, wat dat betreft heeft voetbal toch een zeer hoog intellectueel gehalte. Op zulke wereldwijsheden kan ik weer even vooruit, maar u begrijpt het al: ik heb zin in de wedstrijd tegen Frankrijk, misschien kunnen we daar ook een leuk Frans spreekwoord verbuigen of iets dergelijks.
De nabeschouwing met Cruijff heb ik maar niet meer bekeken, zo fanatiek ben ik nou ook weer niet. Als Nederland verder komt dan de kwartfinales beloof ik met mijn hand op mijn hart serieus te gaan kijken, naar het café te gaan, minstens een Trom-Pet en een brulshirt van de Blokker (bij elke 7,83!) te kopen en uiteraard een mega-Welp. Tot die tijd volg ik liever het commentaar. Misschien moet ik maar eens via de radio gaan volgen, dan hoef ik al dat gevoetbal niet te zien.

Permalink Laat een reactie achter

Nachttrein naar Lissabon

juni 6, 2008 at 8:59 pm (Literatuur) (, , , , )

Nachttrein naar Lissabon                                                                         Hanna Lammertse
Schrijver: Pascal Mercier                                                                          Klas 3D
Uitgeverij Wereldbibliotheek

‘Het leven is niet het leven dat we leven; het is het leven dat we ons voorstellen te leven.’
Raimund Gregorius is al jaren docent klassieke talen aan het gymnasium in Bern. Op een dag ontmoet hij een Portugese vrouw die hem zo intrigeert, dat hij midden in een les opstaat en wegloopt, zijn leven in Bern achter zich latend. Niet veel later loopt hij een oud Spaans boekenantiquaraat binnen op zoek naar boeken om Portugees te leren. Per toeval vindt hij daar een zeer bijzonder Portugees boek, dat hem gegeven wordt door de oude winkelier. Hij raakt volledig in de ban van het boek, geschreven door ene Amadeu de Prado. Een paar dagen neemt hij in een opwelling een nachttrein naar Lissabon, om op zoek te gaan naar de mysterieuze schrijver van het boek. Hij raakt verstrikt in een zoektocht naar Prado, maar vooral ook naar zichzelf: hoe meer mensen hij ontmoet wier leven vervlochten was met dat van Amadeu de Prado, hoe meer hij het besef krijgt dat de tijd hem door de vingers glipt. ‘Nachttrein naar Lissabon’ draait om alle grote vragen van het leven, bijvoorbeeld over vriendschap, loyaliteit en eenzaamheid.

Uit de eerste pagina’s denk je als lezer op te maken dat Raimund Gregorius een intens rustig, haast saai personage is dat zeer vaste principes heeft waar hij niet van plan is vanaf te wijken. Echter, al meteen na de ontmoeting met de Portugese vrouw begint hij te twijfelen aan alles waar hij eerst nog zo zeker van was: ‘Met een schok, heel anders dan hij van zichzelf had verwacht, drong het tot hem door hoezeer hij dat gebouw en alles waar het voor stond liefhad en hoezeer hij het zou missen. […] Gregorius draaide zich om en liep langzaam in de richting van de Kirchenfeldbrücke. Toen de brug in zicht kwam had hij het vreemde, even verontrustende als bevrijdende gevoel dat hij op het punt stond zijn leven op zevenenvijftigjarige leeftijd voor het eerst in eigen hand te nemen.’(p. 20/21/22)
Tot aan de ontknoping blijft het leven van zowel de hoofdpersoon Gregorius als de schrijver van de mysterieuze aantekeningen, Amadeu de Prado, verrassen en intrigeren. Prado blijkt een uitzonderlijk charismatische en zeer intelligente persoonlijkheid te zijn geweest, die desondanks worstelt met zijn leven en –vooral- zijn verleden. Gregorius treedt als het ware in de voetsporen van Prado door diens aantekeningen te lezen en op zoek te gaan naar dat verleden; hij ondergaat een immense verandering, die je als lezer van het begin tot het eind volgt.

Terwijl Gregorius op zoek gaat naar Prado kom je als lezer ook steeds meer te weten over zijn eigen leven en vooral zijn eerst zo vaststaande principes, omdat Gregorius zelf, voornamelijk dankzij Prado’s aantekeningen, steeds terugdenkt aan zijn eigen kijk op de wereld. Gregorius verplaatst zich in het leven van Prado en concludeert dat hij zelf, hoewel dat op het eerste gezicht niet het geval leek, op verschillende vlakken heel veel overeenkomsten vertoont met Prado. Hij volgt Prado’s gedachten via diens boek en de verhalen van diens vrienden en als lezer merk je op een gegeven moment dat het niet alleen Prado’s gedachten zijn, maar nu ook die van de hemzelf. Gregorius blijft hangen bij vragen die Prado zichzelf stelt in de aantekeningen en probeert er voor zichzelf een antwoord op te formuleren, iets wat tot zijn grote schrik lang niet altijd mogelijk is. Gregorius, die anders altijd de rust zelf was, begint door deze vragen steeds onzekerder en zelfs bang te worden dat alles waar hij dacht van op aan te kunnen, hem ontglipt: ‘Wat hij zonder te beseffen had gezocht, was een woord dat bij Homerus maar één enkele keer voorkwam. Het was alsof iets achter zijn rug, verborgen in de coulissen van zijn geheugen, wilde testen of zijn geheugen nog net zo goed was als vroeger. Zijn ademhaling ging snel. Het woord kwam niet. Het kwam niet. […] Met een hart dat als een razende tekeerging rende hij naar de kast en haalde de Odyssee eruit. Het oude, hard geworden leer sneed met zijn scherpe kanten in zijn handpalm. Koortsachtig bladerde hij in het boek en blies het stof van de bladzijden. Het woord stond niet op de plaats waar hij had gedacht.’ (p. 363/364).
De manier waarop de hoofdpersoon verwikkeld raakt met iemand die naarmate het boek vordert steeds meer zélf de hoofdpersoon lijkt te zijn, maakt het boek heel ontroerend.

De aantekeningen in het boek van Prado zetten echter niet alleen de hoofdpersoon aan het denken, maar ook de lezer zelf. De lezer wordt meegezogen in de gedachtewereld van Prado. Hij filosofeert over alle grote vragen des levens, heeft overal een duidelijke mening over maar lijkt daar soms zelf juist aan te twijfelen. Door middel van zijn eigen aantekeningen lijkt Prado zichzelf te willen overtuigen van zijn  gelijk. Als lezer lees je mee met de hoofdpersoon, die zelf de teksten uit het Portugees vertaalt; Pascal Mercier is zelf filosoof en dat is goed te merken aan de filosofische aantekeningen, die je ook als lezer aan het denken zetten: ‘Is het zo dat alles wat we doen uit eenzaamheid wordt gedaan? Is het om die reden dat we afzien van alle dingen waarvan we aan het eind van ons leven berouw hebben? Is dat de reden waarom we zo zelden zeggen wat we denken? Waarom anders houden we vast aan al die ontwrichte huwelijken, leugenachtige vriendschappen, saaie verjaardagsdiners? Wat zou er gebeuren als we al die dingen zouden opgeven, een eind zouden maken aan de sluipende chantage en voor onszelf zouden kiezen?’ (Amadeu de Prado, p. 315)

‘Het Parool’ had gelijk: Nachttrein naar Lissabon verdient het om een bestseller te worden. De verandering die de hoofdpersoon doormaakt is mooi weergegeven: de verstrengeling die langzaamaan ontstaat tussen hoofdpersoon en de mysterieuze Amadeu de Prado is ontroerend, evenals de angst die je ziet groeien bij beiden. De filosofische aantekeningen in het boek zijn mooi en zetten de lezer aan denken. Dat is duidelijk de bedoeling van het boek: iedere lezer zelf aan het denken zetten. Amadeu de Prado zei het al: ‘Onze verbeeldingskracht is ons laatste heiligdom’.

Permalink Laat een reactie achter

Supermarkten en obesitas in de samenleving

juni 6, 2008 at 8:57 pm (Mijn Mening) (, , , )

Wanhopig kijkt de moeder om zich heen en doet ten einde raad een greep in het –goedgevulde- snoepvak dat strategisch geplaatst is tussen de cornflakes en tijdschriften. De Kitkat lost op waar zij tekortschiet: in één klap zijn de drie jengelende jongetjes stil. De moeder zucht opgelucht en gooit snel de laatste boodschappen in het karretje, om vervolgens, haar zoontjes aan de armen meesleurend, naar de dichtstbijzijnde kassa te snellen waar ze nog snel voor de bejaarde man schiet die net zijn boodschappen op de band wilde leggen. Ze glimlacht nog even verontschuldigend terwijl ze de diepvriespizza’s waar de jongetjes zo om hadden lopen zeuren, op de band gooit.

 

De vraag is: wie heeft nu de schuld aan het stijgende percentage mensen in Nederland – vooral kinderen – met overgewicht? De supermarkten? Is het werkelijk hun schuld, omdat zij hun schappen op zo strategisch mogelijke plekken plaatsen? Ik denk het niet. Of is het de schuld van de overheid, omdat ze niet genoeg voorlichting op scholen geven? Nogmaals: ik denk het niet. Wie wél de hoofdschuldigen zijn? De ouders!

 

 

Om te beginnen vind ik dat de regering zich eens wat minder zou moeten bemoeien met de Nederlanders. Het is prima dat ze zich bezighouden met de volksgezondheid, maar het moet niet te ver gaan. Mensen zijn wezens die goed in staat zijn voor zichzelf te denken en dat moet je ze dan ook vooral laten doen. Je kunt het daarnaast supermarkten niet kwalijk nemen dat ze proberen zo veel mogelijk te verkopen: ze moeten immers winst maken om het hoofd boven water te kunnen houden! Als alle Nederlandse supermarkten omwille van nieuwe regels van de regering verlies gaan lijden, gaat het slechter en slechter met de Nederlandse economie: dat is toch óók niet de bedoeling van onze regering? Hooguit zou de regering door middel van zo’n spannende reclamecampagne of –helemaal leuk!- een fijne voorlichting op tv de Nederlanders kunnen proberen wat meer zelfbeheersing bij te brengen. Daar ligt immers het probleem: als alle mensen af en toe eens de verleiding tot een Mars, Snickers of Kitkat zou kunnen weerstaan, zou het niets uitmaken of de supermarkten het snoepschap bij de kassa of tussen de tijdschriften en de augurken zou plaatsen.

 

Daarbij: over het algemeen wordt in de discussies over dit onderwerp vaak voor het gemak even vergeten dat de overheid al volop bezig is met voorlichtingen en reclamecampagnes: hieruit kunnen we opmaken dat die dus de afgelopen jaren vergeefse moeite zijn geweest. Het percentage te zware kinderen blijft stijgen, terwijl er alles aan gedaan wordt om diezelfde kinderen op de gevaren van overgewicht te wijzen en ze aan te moedigen gezonder te gaan eten. Conclusie: het wérkt niet. Als we vervolgens kijken naar de manier waarop deze voorlichtingen gegeven worden verbaast mij dat eerlijk gezegd totaal niet: de ‘voorlichting’ die men op school geeft bestaat over het algemeen uit een eenmalig bezoek van één of andere – in de ogen van de kinderen – halfbejaarde die gezond eten en veel sporten predikt. Heel gek, maar de kinderen knikken braaf en drie minuten later doen ze zich tegoed aan het zakje chips dat werd uitgedeeld vanwege een verjaardag. Wie een probleem als dit systematisch wilt voorkomen, moet je in plaats van symptoombestrijding het probleem bij de wortel aanpakken. Wat is de wortel? Juist ja, de ouders! Leer hén wat de gevolgen van overgewicht kunnen zijn, zij snappen tenminste wat je bedoelt als je het hebt over ‘risico op onvruchtbaarheid’ of ‘hoger risico op hart- en vaatziekten of hoge bloeddruk’.

 

Tot slot: de wetenschap zou kunnen proberen om, in plaats van het zoveelste omstreden onderzoek te publiceren, een oplossing voor dit probleem te zoeken. Men publiceert  naar hartelust het ene onderzoek na het andere, maar verrassend genoeg komt uit vrijwel alle onderzoeken dezelfde conclusie: overgewicht is niet goed voor je en het percentage Nederlanders met overgewicht neemt gestaag toe. Bij ieder nieuw onderzoek zijn er ook weer nieuwe critici te vinden, die van mening zijn dat het onderzoek niet goed is uitgevoerd, gedocumenteerd of niet voldoende ondersteund door medische feiten… Maar in plaats van te proberen die paar critici te overtuigen, die misschien wel simpelweg het probleem niet onder ogen willen zien, zouden wetenschappers ook kunnen proberen een oplossing voor het –door de meesten allang erkende- probleem te vinden. Spruitjes met Marssmaak bijvoorbeeld.

 

Kortom: de overheid zou eerst eens moeten bedenken of ze zich wel met álle aspecten van het leven van de burgers moet bemoeien. En als ze dan toch besluiten dat dit belangrijk is, laat ze dan hun voorlichting eens op de ouders richten in plaats van doorgaan met iets dat zichtbaar geen effect heeft. Daarbij zou het handig zijn als de wetenschap zich eens bezighoudt met oplossingen, in plaats van met telkens weer hetzelfde probleem constateren.

Permalink Laat een reactie achter

Mijn verhaal

juni 6, 2008 at 8:56 pm (Verhalen) (, , )

We keken een film over een misdaad ergens in een bos in Japan – de clue was niet helemaal duidelijk en dat bleek achteraf ook de bedoeling, we moesten er een epiloog van schrijven. De titel van de film weet ik niet meer en dat doet er ook niet zoveel toe, maar dit verhaal is er uit voortgekomen. Het idee was om de ware gebeurtenis (volgens mijn fantasie althans) te vertellen via het paard.

Nu zal ik mijn getuigenis doen. Immers, ieder die bij de gebeurtenis betrokken was, mag zijn zegje doen en ik was er nu eenmaal bij betrokken, zo simpel is het! Sterker nog, als ik er niet was geweest, dan had de hele gebeurtenis niet plaatsgevonden. Als ik de slachtoffers niet naar het bewuste bos had gebracht, dan waren zij nooit in dat bos geweest op het tijdstip van de moord en dan had het hele geval nooit plaatsgevonden. Ik was er echter wél en daardoor ligt mijn baas nu dood in het bos en is mijn bazin een leugenachtig wezen.

Aangenaam, ik ben het paard van de vermoorde samoerai.

 

Ik zal het kort houden; de hele gebeurtenis heeft jaren geleden plaatsgevonden en er is niets meer aan te doen. Maar ik wil, nu mijn laatste uren zijn aangebroken, toch míjn kant van het verhaal vertellen. Daarbij wil ik toevoegen dat ik de waarheid zal spreken; ik ben een stille ooggetuige en bovendien de enige voor wie het niet uitmaakt wat de waarheid is, in zoverre, dat ik in geen enkel scenario schuldig zal zijn.

 

Mijn baas en zijn vrouw gingen die ochtend al heel vroeg naar de stallen, waar ze expliciet om mij vroegen. Waarom? Ik zal het nooit weten, maar ik weet wél dat ik me zeer vereerd voelde dat de vrouw op mij wilde rijden. Hij, mijn baas, zou mij leiden en zijn vrouw zou op mijn rug reizen; we moesten een flink eind, maar zouden diezelfde dag nog aankomen op de plaats van bestemming. Waar we heen gingen weet ik tot op de dag van vandaag niet, en ik zal het ook nooit weten.

 

We waren zo’n anderhalf uur onderweg toen we bij de bosrand aankwamen. Mijn baas leek te twijfelen en wilde liever om het bos heen, maar dat zou veel extra tijd kosten en mijn bazin spoorde hem aan toch door het bos te gaan. Mijn baas hield erg veel van haar, hoewel wij paarden haar nooit hebben gemogen: omwille van haar besloot hij toch het bos te doorkruisen. We liepen steeds dieper en dieper het bos in; het werd donkerder, de bomen stonden dichter op elkaar en op aandringen van bazin verlieten we het pad, om een kortere weg te nemen. Het ging mis toen we midden op een open plek stonden.

Een man kwam uit het struikgewas en hij ving een glimp op van mijn bazin, omdat de wind haar sluier wegblies. Als die wind er niet was geweest, was het allemaal nooit gebeurd. Maar de wind was er wel, de man zag mijn berijdster en zij, ik weet het zeker, herkende hem. De man leek ons in eerste instantie met rust te laten, maar hij volgde ons; ik hoorde hem vlak achter me door het struikgewas sluipen maar ik kon niets doen, mijn baas werd kwaad omdat ik begon te draven maar het enige wat ik wilde doen was mijn baas tegen deze man beschermen, ik voelde dat hij gevaarlijk was… Het mocht niet baten. Mijn baas liet me stilstaan, zijn vrouw gleed van mijn rug af en voor mijn baas iets kon doen, had de man haar vastgegrepen en meegetrokken. Ze deed niets om hem tegen te werken, ze liet zich gewillig meevoeren, twee, drie, vier meter van mij vandaan. Ik werd onrustig, ik zag mijn baas rood aanlopen van woede. Zijn anders zo vriendelijke ogen stonden kil en voor het eerst van mijn leven was ik bang voor hem. Hij trok zijn zwaard; ook de vreemdeling trok zijn zwaard en er ontstond een gevecht tussen de twee mannen. Ze waren aan elkaar gewaagd, geen van beiden was beter dan de ander. Toen, plotseling, trok de vrouw plotseling haar dolk. Het was een prachtige dolk, ingelegd met edelstenen en met een handvat van parelmoer; mijn baas had hem haar als verlovingscadeau gegeven. Ik dacht dat ze mijn baas zou helpen: het kwam niet vaak voor, maar ik wist dat ze enige lessen in het zwaardvechten had gekregen. Ik kreeg de schok van mijn leven; zij viel uit, dolk naar voren, maar naar de verkeerde persoon! Haar dolk doorkliefde de borst van mijn baas. Er kwam een raspend geluid uit zijn keel, en hij zakte voorover op de grond. Ik keek naar haar; en ze lachte. Ze lachte, leugenachtig, verschrikkelijk schepsel. Zíj vermoordde mijn baas, zíj vermoordde de man die dacht dat zij hem liefhad. Míjn baas, háár man, lag nu dood op de grond en zij? Zij lachte.

Ik ben nog nooit zo kwaad geweest: ik ben in volle galop weggegaloppeerd van die plek, die verdoemde plek, de plek waar die vrouw mijn baas vermoord heeft. Toen ik bijgekomen was en wat gedronken had uit de rivier ben ik nog teruggegaan naar mijn baas. Daar lag hij, stervende, besmeurd met geronnen bloed, op de grond. Van de vrouw en de vreemdeling was geen spoor meer te bekennen; ik zag enkel een stukje verderop haar hoed in het struikgewas liggen. Ik ben bij mijn baas gebleven, tot het bittere eind. Zijn laatste ademtocht blies hij uit en ik voelde zijn laatste adem op mijn neus. Ik ben bij hem gebleven, tot hij gevonden werd door een man die door het bos liep: ik moest hem achterlaten en ik werd teruggebracht naar huis, naar stal, maar ik ben het nooit vergeten.

Ik weet dat niemand meer naar mij zal luisteren. De man die mijn baas vermoordde woont nu in zijn huis, hij is getrouwd met de vrouw van mijn baas en hij is onschuldig verklaard. Het hele geval is afgedaan als zelfmoord, maar ik weet wel beter. Mijn baas is al jaren dood en begraven, maar ik ben hem nooit vergeten. Nu is mijn laatste uur aangebroken, en eindelijk heb ik mijn verhaal verteld. De waarheid zal nooit meer aan het licht komen, want niemand zal ooit luisteren naar een oud paard als ik. Maar ik heb verteld wat er is gebeurd, de enige echte waarheid, en nu kan ik vredig inslapen. Ik ga naar een, hoop ik, betere wereld.

 

Permalink Laat een reactie achter

Volgende pagina »