De vlucht
In een ver, grijs verleden in een land hier – vooruit, om de hoek. Ik was een tweedeklassertje (oké, anderhalf jaar geleden dan) kregen we een schrijfopdracht voor Nederlands met als basis een fragment uit een boek over de Tweede Wereldoorlog. Het ging over geslaagde en niet geslaagde vluchtpogingen, correspondentie en alles waar ze verder voldoende bronnen van konden vinden. Het begin en het slot van de brief heb ik dan ook overgenomen, de brief is ooit écht verstuurd, de zinnen van de man in het slot zijn écht uitgesproken en ook in die context. Het verhaal er omheen heb ik echter zelf gefantaseerd en opgeschreven.
‘Lieve, beste moeder,
Als je niet uit logeren wilt gaan bij de Polaks of de Schlesingers, zorg dan zo snel mogelijk Namen te bereiken. Madame Petit, de eigenares van een fotowinkel in de Rue Cuvelier 18, geeft aan jou, maar dan ook aan jou alleen alle gegevens over de weg, die wij in december 1941 zijn gegaan. Ga snel en ga alleen. Jij kunt het volbrengen en wij wachten op je.’
De 19e augustus 1942 vertrok ik, nadat ik deze brief van mijn zonen ontving, naar Namen. Er waren nog maar weinig spullen in mijn kleine huis aan de Rozengracht: het meeste had ik al bij niet-joodse vrienden ondergebracht. De hond, die ik vlak na het vertrek van mijn zoons op straat had gevonden, bracht ik naar de buren. Zij beloofden voor hem te zorgen: later hoorde ik dat hij twee weken na mijn vertrek is doodgeschoten door een Duitse soldaat.
Ik trok de deur achter mij dicht en keek nog één keer om me heen. Trams reden langs, overal liepen mensen en in de verte zag ik een Duitse patrouille aankomen. Ik liep schijnbaar rustig naar de tramhalte en nam de tram naar het Centraal Station. Daar heb ik de trein genomen. Mijn plan was om in Maastricht over te stappen, maar net voorbij Utrecht stapten Duitse soldaten in. Ze begonnen in de voorste coupé te controleren op persoonsbewijzen. Ik besefte dat ik mijn valse persoonsbewijs vergeten was: het lag nog altijd op de tafel in mijn huis aan de Rozengracht. Ik had alleen mijn eigen persoonsbewijs mee, waar levensgroot op stond dat ik joods was. Godzijdank zat ik in één van de achterste coupés en moesten de Duitsers er bij het volgende station uit en zijn ze niet aan mijn coupé toegekomen, anders had ik het waarschijnlijk niet overleefd. In mijn coupé zaten nog een paar andere mensen: een oude man, een jong echtpaar en een vrouw van een jaar of dertig met een jongetje van 3 jaar en een meisje van 7 jaar. De kinderen leken niet op de vrouw en ik wist bijna zeker dat het niet haar eigen kinderen waren. Haar handen trilden en ze zag bleek; toen de Duitsers uitstapten slaakte ze een zucht van verlichting. Plotseling begon het jongetje te praten. Hij werd duidelijk een beetje zenuwachtig van de stilte in de coupé en hij probeerde iets leuks te vertellen. ‘Weet u, tante, ik hoop dat mijn nieuwe oom een beetje aardig is. Ik heb al een hele lieve oom, weet u, tante! Mijn oom Sam maakt altijd hele lekkere dingen voor me en hij brengt altijd cadeautjes voor me mee. En met Chanuka…’ Geschrokken keek hij naar de vrouw, die lijkbleek was geworden en vliegensvlug haar hand voor zijn mond sloeg. Mijn ogen en die van de vrouw ontmoetten elkaar en ik gaf een haast onmerkbaar, geruststellend knikje. Ze keek angstig om zich heen, maar het jonge echtpaar had het te druk met elkaar en de oude man zat te knikkebollen aan het andere eind van de coupé.
In Maastricht stapte ik uit en ik zag de vrouw met de twee kinderen ook uitstappen. Ik sprak haar aan en vroeg waar ze heen moest. ‘Naar Namen.’ antwoordde ze. ‘En u?’
Ik antwoordde dat ik naar ook Namen moest en vroeg of ze wist hoe ik daar moest komen. Zij stelde voor samen te reizen omdat ze er vaker heen was gereisd en wist hoe je daar kon komen. We brachten de nacht door bij vrienden van haar en de volgende dag vertrokken we. We konden een stuk meerijden met één van haar vrienden en het laatste stuk namen we een bus. De buschauffeur keek ons wantrouwig aan toen we instapten en even was ik bang dat hij wist dat we joods waren. Hij zei echter niets en toen we weer uitstapten, tikte hij tegen zijn pet bij wijze van groet. Eenmaal in Namen ging mijn nieuwe vriendin, die Agnes bleek te heten, het jongetje wegbrengen naar zijn nieuwe onderduikadres en we spraken af bij de fotowinkel die zij wel bleek te kennen. Ik ging direct daarheen.
De Rue Cuvelier bleek één van de hoofdstraten in het centrum van Namen, dus het kostte niet veel moeite om de fotowinkel te vinden. Toen ik echter de deur open wilde duwen, ging hij niet open. Hij was op slot. Ik belde aan, maar kreeg geen reactie. Ik liep om het huis heen en de achterdeur bleek wel open: ik ging naar binnen en kwam in een geheel donker huis. De ramen waren verduisterd, er brandde nergens licht en ook toen ik de trap opliep en in de vertrekken boven keek, was het huis compleet verlaten en donker. Er was nog één deur die ik nog niet had opengemaakt en ik duwde hem open.
Ik liep het winkelgedeelte binnen en zag een verschrikkelijk ravage: overal waren dingen omgegooid, de kassa was opengerukt en leeggehaald en er waren sporen van een worsteling. Het was duidelijk: er was een razzia geweest, en Madame Petit was meegenomen. Ik kreeg kippenvel bij de gedachte wat hier gebeurd moest zijn en plotseling wilde ik nog maar één ding: weg uit dit huis. Ik rende door het huis, in paniek zonder precies te weten waarom, en nam een andere deur dan de deur waardoor ik binnen was gekomen. Ik stond in een tuin, duidelijk eens goed onderhouden maar inmiddels overwoekerd met onkruid. Ik stond onder een pergola waar druivenranken omheen groeiden. Het waren rode druiven, rood als bloed, en ik kreeg tranen in mijn ogen toen ik dacht aan wat er met Madame Petit gebeurd moest zijn.
Ik kon het niet langer aanzien en liep snel door de tuin, uit de groene, houten poort. Ik stond in een steegje. Ik liep om het huis, want ik had met Agnes afgesproken bij de fotowinkel. Net toen ik de hoek omliep zag ik iets wat mij altijd zal bijblijven: mijn vriendin was omsingeld door zes Duitse soldaten, die haar vastgrepen en meenamen. Ik wilde iets doen, maar wist niet wat en voor ik het wist was ze verdwenen. Toen brak er iets in mij: ik huilde en huilde, ging op de stoep tegen een muur aanzitten en bleef huilen.
Ik weet niet meer hoe ik het station heb weten te vinden, maar het is me gelukt en ik ben op de trein naar Parijs gestapt. In Parijs ben ik bij het Gare du Nord uitgestapt, omdat ik het een te groot risico vond om in het centrum uit te stappen: daar waren waarschijnlijk meer soldaten en Frans sprak ik niet goed genoeg om me eruit te kunnen redden met een leugen. Ze zouden mij immers arresteren als ze erachter kwamen dat ik geen persoonsbewijs mee had, tenminste, geen die ik aan hen wilde laten zien. Ik zocht naar een trein die rechtstreeks naar Genève ging, maar ik kon er geen vinden en toen ik het in mijn gebrekkige Frans aan een conducteur probeerde te vragen, lachte hij me vierkant uit. Kwaad besloot ik uiteindelijk een trein naar Lyon te nemen, dat was tenminste in de richting van Genève. Het bleek een verkeerde beslissing: de trein die ik nam bleek een stoptrein die elke vijf minuten stopte bij een station. Het kostte me een dag om Lyon te bereiken; toen ik daar aankwam begon het al te schemeren en een conducteur wist mij vriendelijk lachend te melden dat er ’s avonds geen treinen reden. Ik moest ergens overnachten maar durfde niet naar een hotel te gaan omdat je daar een persoonbewijs moest tonen. Uiteindelijk ben ik in de trein gaan zitten die de volgende ochtend vroeg naar Genève zou vertrekken. Ik was zo moe dat ik onmiddellijk in slaap viel en ik werd pas wakker toen de trein al onderweg was. Ik besefte pas later waar ik wakker van was geworden: de trein schokte en minderde vaart. Ik werd wakker van bagage die uit de rekken viel. Toen hoorde ik geschreeuw en gestommel in de coupé naast die van ons. In een reflex sprong ik op uit mijn stoel, rende naar achteren en kwam in het gangetje tussen mijn coupé en de coupé erachter. Ik duwde de deuren net ver genoeg uit elkaar en ik sprong naar buiten. Ik landde een paar meter lager, de spoorweg lag op een soort heuveltje. Ik rolde een eindje naar beneden en bleef even stil liggen totdat de trein weg was. Toen sprong ik op en liep naar de weg die ik even verderop zag liggen. Ik heb dat weggetje gevolgd, zo’n drie uur lang liep ik aan één stuk door.
Het landschap veranderde en werd bergachtiger. Het was vermoeiend om te lopen, maar na drieëneenhalf uur bereikte ik een klein dorpje. Hier en daar renden kinderen of stonden volwassenen te praten. Ik hoorde flarden Frans, maar het klonk niet als het Frans dat ik kende. Ik hoopte vurig dat ik al in Zwitserland zou zijn en besloot het te vragen. Maar toen ik het vroeg, barstte de vriendelijke bakker aan wie ik het vroeg in lachen uit. Hij wist te melden dat ik nog een halve dagreis van de grens was. Ik kon wel huilen en wilde net alle hoop opgeven, toen de man vroeg of ik soms met hem mee wilde rijden. Dolgelukkig vertelde ik in mijn beste Frans dat dat zeker het geval was en die middag zat ik naast de vriendelijke bakker op de bok van zijn simpele koetsje. We spraken niet veel onderweg, we waren beiden in gedachten verzonken. Toen we in de namiddag de grens bereikten zag ik al van verre de Duitse patrouilles staan. Mijn moed zonk mij in de schoenen: ik had immers geen persoonsbewijs en waar zouden ze anders op controleren bij de grens?
De boer leek mijn gedachten te raden en beval me om tussen de broden te kruipen. Ik bedekte me zo goed en zo kwaad als het ging met zoveel mogelijk broden en bleef doodstil liggen. Ik hoorde een soldaat in het Duits een korte conversatie voeren. Toen hoorde ik voetstappen dichterbij komen en er werden broden weggeschoven. Als ik zou blijven liggen en gesnapt werd, overleefde ik het waarschijnlijk niet. Toen, terwijl de soldaat al bezig was broden bij mij in de buurt weg te schuiven, hoorde ik een andere soldaat roepen. Ik hoorde nog meer lawaai, voetstappen die zich steeds verder verwijderden en opeens was ik alleen. Ik kroop voorzichtig onder de broden vandaan en zag in de verte de voltallige patrouille achter de bakker aanrennen. Hij was gevlucht, misschien om mij te helpen ontsnappen, misschien omdat hij zelf in gevaar was: ik zal het nooit weten, maar ik ben hem eeuwig dankbaar. Ik kroop op de bok en vuurde de paarden aan; zo snel als het ging reed ik langs de verlaten Duitse grenspost. Ik reed nog verder, door het ruige landschap. Na een half uur begon het landschap te veranderen, het werd minder rotsachtig en hier en daar stonden huizen. Ik bereikte een boomgaard en stopte de koets om uit te rusten.
Daar zag ik een kleine man voor mij staan, een dwerg bijna, met een breed, goedig gezicht. Hij droeg een voorschoot en was met rustige gebaren bezig grote trossen druiven te plukken die hij voorzichtig in een mand optaste. Hij zag mij vriendelijk aan en toen ik hem vroeg: ‘Est-ce que je me trouve en France ou dans le canton de Genève?’ luidde zijn antwoord: ‘Vous êtes sur terre libre, madame’.