In mijn dromen

juni 6, 2008 at 8:42 pm (Schrijfsels, Verhalen) (, , , )

Niet zo lang geleden heb ik dit verhaal geschreven voor een bijdrage aan de schoolkrant. Weet nog niet of het daar ook daadwerkelijk inkomt, maar hier publiceer ik het maar alvast. Het is een mengeling van twee verhalen die ik al eens eerder had geschreven, maar over beide was ik niet tevreden. Daarom heb ik deze mengelmoes geschreven, waar ik een stuk tevredener over ben. Het is een avontuurlijk verhaal – normaal gezien niet helemaal mijn stijl, maar ik vind het toch best aardig geworden. Commentaar is natuurlijk altijd welkom.

 

Ik lig op mijn handdoek op het strand. Ik heb mijn ogen dicht, de zee ruist op de achtergrond. De zon staat hoog aan de hemel, ik voel de stralen op mijn huid tintelen. Ik ben nog nat van de duik in zee die ik net heb genomen, maar koud is het niet: het is bijna dertig graden. Overal om me heen hoor ik mensen praten, giechelen of fluisteren; in de branding spelen kinderen

wedstrijdjes tegen de golven, zandkastelen bouwen of tikkertje.

 

Dan schiet ik overeind. Een ongemakkelijk gevoel bekruipt me en het duurt even tot ik me realiseer wat het is: de stilte. Een oorverdovende stilte. Ik kijk om me heen: de zon schijnt en de lucht is strakblauw, maar het strand is ineens compleet verlaten. Het lijkt of zelfs de zee niet echt meer is, het kalme ruisen van de golven ontbreekt. Rillend krabbel ik overeind, het is kil aan het worden en ik sla mijn handdoek om me heen. Instinctief begin ik richting de zee te lopen, de zee die er zo angstaanjagend glad uitziet: het is compleet windstil en zelfs het kleinste golfje ontbreekt. Hoe dichterbij ik kom, hoe killer het lijkt te worden. Af en toe kijk ik om me heen maar er is nogal altijd niemand. En dan zie ik het: van een afstand leek het een ondiepe kuil, alsof hij gegraven was door een stel kinderen, maar nu ik dichterbij kom zie ik dat de kuil in werkelijkheid een iets dieper gelegen luik is. Ik hurk, veeg een beetje zand van het luik en trek dan aan het handvat: het luik is loodzwaar maar het lukt: krakend en piepend weet ik het open te krijgen. Ik kijk naar beneden: een grote, zwarte leegte. Dan hoor ik een langzaam, slepend geluid in het zand. Bonk, bonk.

 

Plotseling valt er een schaduw over de kist.  Nog voordat ik het besef heb om achterom te kijken wordt er een zware hand op mijn schouder gelegd. Vanuit mijn ooghoeken zie ik nog net de vingertoppen, zwart van het vuil. Ik schrik zelf van mijn reactie: zonder verder na te denken spring ik in de grote, zwarte leegte. Ik verwacht vaste grond onder mijn voeten te voelen, maar in plaats daarvan lijkt het alsof ik tot in het oneindige zal blijven vallen. Ik kijk naar boven: ik zie de gedaante me nakijken. In één van zijn handen houdt hij iets glimmends.

 

Het lijkt een eeuwigheid te duren voordat ik met een doffe klap op de grond terechtkom en even wordt alles zwart voor mijn ogen. Als ik weer bij zinnen ben, beweeg ik voorzichtig mijn ledematen. Alles doet het nog. Ik sta op en ik schrik als ik om me heen kijk: ik sta aan het begin van een tunnel met aan weerszijden brandende fakkels. Voorzichtig, voetje voor voetje, volg ik de muur totdat mijn ogen aan het schemerduister gewend zijn.

Behalve de brandende fakkels beweegt er niets en is het volkomen stil in de gang.

De tunnel lijkt oneindig lang. Af en toe buigt hij af, soms sterk, soms slechts een flauw bochtje: dan weer een hele tijd rechtuit. Naarmate ik langer de tunnel volg begin ik echter meer geluiden te horen: één keer hoor ik ergens, heel in de verte, een klap en even later hoor ik van achter me zachtjes een ritmisch bonkend geluid, dat nog het meest lijkt op voetstappen. Bonk, bonk. Ik begin harder te lopen, want in de verte zie ik een bundel van licht opdoemen. Het geluid achter me wordt steeds luider en ik ren nu bijna: de voetstappen gaan ook sneller en sneller. Dan zie ik een deur in de linkermuur: ik trek hem op een kier, wurm me erdoor heen en doe hem snel weer achter me dicht. De voetstappen in de tunnel verstommen

plotseling.

 

Hijgend kijk ik om me heen: ik sta in een kleine, ronde kamer. In het midden staat een grote, eikenhouten tafel met een bordeauxrood kleed erover en een brandende olielamp erop. Ernaast ligt een vel oud papier en een pauwenveer naast een tot de rand gevuld inktpotje. Ik loop naar de tafel toe: het vel is onbeschreven. Aan de muur hangt slechts één schilderij. Met een schok herken ik het strand, waar de kinderen spelen in de branding. De handdoek die ik nog steeds om me heen heb geslagen is ook afgebeeld, in het centrum van het schilderij: er ligt alleen niemand op…

 

Recht tegenover de deur staat een kast met boeken. Ik hou mijn hoofd schuin en probeer de titels te lezen, maar het lukt niet. Ik herken de letters, maar kan ze niet plaatsen in mijn hoofd, ik kan er geen woorden mee vormen. Ik strijk met mijn vingertoppen over de ruggen van de boeken: geen stofje te bekennen. De plank is niet helemaal gevuld met boeken: links staat een mandfles met een vreemde, donkerpaarse inhoud. Ik onderdruk de aandrang de dop eraf te schroeven en te ruiken of zelfs te proeven: iets houdt me tegen en misschien is dat maar goed ook. Als ik verder kijk zie ik tot mijn grote verbazing op de onderste plank een klein borstbeeld staan van een man met een haakneus en lang, krullend haar. Net als ik me afvraag wie dat zou kunnen zijn, hoor ik de deur kraken.

 

Het duurt even voordat mijn voeten me gehoorzamen. Ik spring onder de tafel en trek het kleed iets meer naar voren, zodat ik met een beetje geluk niet te zien ben. Net op tijd, de deur gaat piepend en krakend open. In de deuropening staat een man met een haakneus en lang, krullend zwart haar. Hij lijkt griezelig veel op het borstbeeld in de kast… Even blijft hij staan en hij kijkt zoekend de kamer rond. Dan beent hij de kamer in: bonk, bonk.

Hij doorzoekt de kast, neemt nog snel een grote slok uit de mandfles en trekt dan in één beweging het tafelkleed weg. Verstijfd van schrik kijk ik hem in de ogen. Hij kijkt naar me alsof hij niemand anders had verwacht en trekt me aan mijn arm onder de tafel vandaan. Tot mijn grote schrik laat hij dolk uit zijn mouw glijden. Hij pakt hem bij het heft en hij tilt de dolk op. Ik doe mijn ogen dicht en wacht op de klap…

 

Badend in het zweet schrik ik wakker. Vluchtig kijk ik om me heen: een jongetje rent voorbij met een emmertje en schepje in de hand. In de verte blaft een hond: ik hoor mensen praten, fluisteren of giechelen. De zee ruist op de achtergrond. In de branding spelen kinderen: ze bouwen zandkastelen of spelen tikkertje. Het is warm, bijna dertig graden. De zon schijnt.

Mijn hand beweegt langzaam, als vanzelf, naar mijn hals.

 

‘Dus… Wie heeft Caligula vermoord?’ Ik schrik wakker. Het duurt even voordat ik weer helemaal bij zinnen ben en ik besef dat me een vraag gesteld wordt. Razendsnel probeer ik de tijd terug te spoelen om de vraag te achterhalen. Naast me fluistert een vriendin ‘de prefect van de praetoriaanse garde…’. Gelukkig wordt de leraar ongeduldig en hij stelt de vraag aan iemand anders.

Mijn hand glijdt langs mijn hals. Ik voel een dun litteken.

Plaats een reactie