Waar blijft Emancipatiesmurf?

juni 6, 2008 at 8:54 pm (Mijn Mening) (, , )

Smurfin huppelt op haar schattige hooggehakte schoentjes door het Smurfendorp. Ze heeft een mandje om de arm, want ze gaat paddestoelen zoeken in het bos zodat ze het avondeten kan maken. Dan schrikt ze en ze begint bijna te huilen. Het hengsel van haar mandje is kapot! Snel rent ze naar Klussmurf toe, die gelukkig in no time het mandje weer gefikst heeft.
Maar waar is de zelfredzaamheid van Smurfin gebleven? Kennelijk is onze –als zeer vrouwelijk afgeschilderde- Smurfin niet in staat zelf met een tube superlijm aan de slag te gaan.
Men zegt wel eens dat de jeugd de spiegel van de samenleving is. Helemaal juist in dit geval: jonge kinderen weten door allerhande tv-programma’s, kinderboeken en natuurlijk door ervaringen op de kleuterschool, al heel jong precies hoe het hoort. Meisjes zijn er om schattig te zijn, jongens zijn er om het geld te verdienen. Kortom: de emancipatie is nog lang niet ‘’af’’. Maar hoe komt dat eigenlijk?

Ten eerste: al van jongs af aan krijgen meisjes duidelijke signalen over hoe ze zich moeten gedragen. Terwijl jongetjes prima in een oude trui de hele dag kunnen voetballen, moeten meisjes zich al vanaf hun eerste dag op de basisschool ‘leuk aan willen kleden’, natuurlijk met veel kettinkjes, korte rokjes en haltertopjes. Als ze ouder zijn veranderen de kettinkjes in tattoos en neuspiercings, maar het idee blijft hetzelfde. Echter, het draait niet alleen om het uiterlijk: ook wat betreft de schoolprestaties is het duidelijk dat meisjes meer aanleg moeten hebben voor talen en dat de jongens beter kunnen rekenen. Hoe wanhopig de samenleving dit soort beelden wil veranderen: ze zijn er nog steeds. Denk aan het typische voorbeeld van Smurfin: ‘de Smurfen’ worden nog dagelijks uitgezonden op televisie, net als vele andere kinderprogramma’s waar deze gang van zaken volkomen normaal is.
Dat is een voorbeeld van een absoluut niet-geëmancipeerde (Smurfen)samenleving. Jonge kinderen leren hier dus al heel jong mee hoe het in elkaar zit in deze wereld: meisjes zijn lief, leuk, schattig en een beetje dom. Later leren ze waaróm vrouwen op de wereld zijn: juist ja, om voor een gezin te zorgen, Smurfin heeft immers ook een Babysmurf. Hoe moeten jonge meisjes nu het idee krijgen dat ze het best zelfstandig en zelfredzaam kunnen zijn?

Maar willen vrouwen eigenlijk wel zo nodig meer emancipatie? Want terwijl het aan alle kanten wordt aangemoedigd om te blijven werken nadat het eerste kind geboren is, doen vrij weinig vrouwen dit ook daadwerkelijk. Als een vrouw wel besluit te blijven werken wordt zij vaak door vriendinnen en buren raar aangekeken. Het wordt beschouwd als ‘’zielig voor de kinderen’’ als de moeder niet 7 dagen per week thuis is om voor de kinderen te zorgen. Op het consultatiebureau wordt raar opgekeken door de vrouwelijke medewerkers als een vader met zijn 3-jarige zoontje binnen komt lopen. Daarnaast gebruiken de meeste vrouwen maar wát graag hun vrouwelijkheid om net iets meer opslag te krijgen of die net iets betere baan te bemachtigen en weten de meeste vrouwen dondersgoed dat hun vrouwelijkheid ze soms uit een benarde situatie kan helpen – dagelijks hoor je verhalen over een vrouw die met een vriendelijke, iets flirterige glimlach meneer de agent zover krijgen de bon weer te verscheuren. Hoe hard de politiek ook haar best doet om voor te doen komen dat Nederland een goed geëmancipeerd land is, het valt in de praktijk dus vaak vies tegen.

De keerzijde hiervan is dat emancipatie wel van twee kanten moet komen: vrouwen stoppen vaak met werken bij de geboorte van een kind en stellen zich vaak vrijwillig op als een  kwetsbaar ‘vrouwtje’, maar de mannelijke helft van de maatschappij werkt ook niet mee. Vrijwel iedere vrouw die een bètastudie wil kiezen zal wel een keer te horen krijgen ‘Ach vrouwtje, doe dat nou maar niet, da’s toch niks voor jou…’ Vrouwen in leidinggevende functies zie je nog altijd een stuk minder dan mannen met eenzelfde functie binnen een bedrijf: het grootste deel van de politici is man, hoewel de vrouw als staatssecretaris wel haar opmars maakt is er nog altijd een overdonderende mannelijke meerderheid binnen het kabinet.

Kortom: het gaat niet geweldig met de emancipatie in Nederland. Terwijl Amerika twijfelt tussen een zwarte Afro-Amerikaanse man en de vrouw van een oud-president als presidentskandidaat, heeft Nederland nog steeds een blanke man aan het hoofd van de natie staan en blijft het grootste deel van de vrouwelijke bevolking thuis na de geboorte van het eerste kind. En zolang ‘de Smurfen’ wordt uitgezonden in Nederland, gaat dat ook niet veranderen, vrees ik.

Permalink Laat een reactie achter

Stilte

juni 6, 2008 at 8:52 pm (Gedichten) (, , , )

In het verre verleden (klas 2 noemen we dat) kreeg ik een opdracht om een gedicht te schrijven met daarin metaforen verwerkt. Na veel pijn en moeite is dit gedicht eruit komen rollen: het gaat over een concertharp, eenzaam op een podium.

Daar staat hij dan
In het felle licht, zijn schaduw
Als zwarte schimmen

Het podium, slechts een verhoging
En toch, meteen in de aandacht
Als iemand die de aandacht vraagt
Maar nu zonder woorden

Een waterval van klanken vult de zaal
Elk gesprek verstomt
Stilte, op de klanken na

De zaal, eerst gevuld met geluid
Als de laatste klank wegsterft
Stilte, op het applaus na

Het podium, leeg
Lichten uit, geen schaduw te bekennen
Stilte.

Permalink Laat een reactie achter

De vlucht

juni 6, 2008 at 8:47 pm (Schrijfsels) (, , , , )

In een ver, grijs verleden in een land hier – vooruit, om de hoek. Ik was een tweedeklassertje (oké, anderhalf jaar geleden dan) kregen we een schrijfopdracht voor Nederlands met als basis een fragment uit een boek over de Tweede Wereldoorlog. Het ging over geslaagde en niet geslaagde vluchtpogingen, correspondentie en alles waar ze verder voldoende bronnen van konden vinden. Het begin en het slot van de brief heb ik dan ook overgenomen, de brief is ooit écht verstuurd, de zinnen van de man in het slot zijn écht uitgesproken en ook in die context. Het verhaal er omheen heb ik echter zelf gefantaseerd en opgeschreven.

‘Lieve, beste moeder,

Als je niet uit logeren wilt gaan bij de Polaks of de Schlesingers, zorg dan zo snel mogelijk Namen te bereiken. Madame Petit, de eigenares van een fotowinkel in de Rue Cuvelier 18, geeft aan jou, maar dan ook aan jou alleen alle gegevens over de weg, die wij in december 1941 zijn gegaan. Ga snel en ga alleen. Jij kunt het volbrengen en wij wachten op je.’

 

De 19e augustus 1942 vertrok ik, nadat ik deze brief van mijn zonen ontving, naar Namen. Er waren nog maar weinig spullen in mijn kleine huis aan de Rozengracht: het meeste had ik al bij  niet-joodse vrienden ondergebracht. De hond, die ik vlak na het vertrek van mijn zoons op straat had gevonden, bracht ik naar de buren. Zij beloofden voor hem te zorgen: later hoorde ik dat hij twee weken na mijn vertrek is doodgeschoten door een Duitse soldaat.

 

Ik trok de deur achter mij dicht en keek nog één keer om me heen. Trams reden langs, overal liepen mensen en in de verte zag ik een Duitse patrouille aankomen. Ik liep schijnbaar rustig naar de tramhalte en nam de tram naar het Centraal Station. Daar heb ik de trein genomen. Mijn plan was om in Maastricht over te stappen, maar net voorbij Utrecht stapten Duitse soldaten in. Ze begonnen in de voorste coupé te controleren op persoonsbewijzen. Ik besefte dat ik mijn valse persoonsbewijs vergeten was: het lag nog altijd op de tafel in mijn huis aan de Rozengracht. Ik had alleen mijn eigen persoonsbewijs mee, waar levensgroot op stond dat ik joods was. Godzijdank zat ik in één van de achterste coupés en moesten de Duitsers er bij het volgende station uit en zijn ze niet aan mijn coupé toegekomen, anders had ik het waarschijnlijk niet overleefd. In mijn coupé zaten nog een paar andere mensen: een oude man, een jong echtpaar en een vrouw van een jaar of dertig met een jongetje van 3 jaar en een meisje van 7 jaar. De kinderen leken niet op de vrouw en ik wist bijna zeker dat het niet haar eigen kinderen waren. Haar handen trilden en ze zag bleek; toen de Duitsers uitstapten slaakte ze een zucht van verlichting. Plotseling begon het jongetje te praten. Hij werd duidelijk een beetje zenuwachtig van de stilte in de coupé en hij probeerde iets leuks te vertellen. ‘Weet u, tante, ik hoop dat mijn nieuwe oom een beetje aardig is. Ik heb al een hele lieve oom, weet u, tante! Mijn oom Sam maakt altijd hele lekkere dingen voor me en hij brengt altijd cadeautjes voor me mee. En met Chanuka…’ Geschrokken keek hij naar de vrouw, die lijkbleek was geworden en vliegensvlug haar hand voor zijn mond sloeg. Mijn ogen en die van de vrouw ontmoetten elkaar en ik gaf een haast onmerkbaar, geruststellend knikje. Ze keek angstig om zich heen, maar het jonge echtpaar had het te druk met elkaar en de oude man zat te knikkebollen aan het andere eind van de coupé.

 

In Maastricht stapte ik uit en ik zag de vrouw met de twee kinderen ook uitstappen. Ik sprak haar aan en vroeg waar ze heen moest. ‘Naar Namen.’ antwoordde ze. ‘En u?’

Ik antwoordde dat ik naar ook Namen moest en vroeg of ze wist hoe ik daar moest komen. Zij stelde voor samen te reizen omdat ze er vaker heen was gereisd en wist hoe je daar kon komen. We brachten de nacht door bij vrienden van haar en de volgende dag vertrokken we. We konden een stuk meerijden met één van haar vrienden en het laatste stuk namen we een bus. De buschauffeur keek ons wantrouwig aan toen we instapten en even was ik bang dat hij wist dat we joods waren. Hij zei echter niets en toen we weer uitstapten, tikte hij tegen zijn pet bij wijze van groet. Eenmaal in Namen ging mijn nieuwe vriendin, die Agnes bleek te heten, het jongetje wegbrengen naar zijn nieuwe onderduikadres en we spraken af bij de fotowinkel die zij wel bleek te kennen. Ik ging direct daarheen.

 

De Rue Cuvelier bleek één van de hoofdstraten in het centrum van Namen, dus het kostte niet veel moeite om de fotowinkel te vinden. Toen ik echter de deur open wilde duwen, ging hij niet open. Hij was op slot. Ik belde aan, maar kreeg geen reactie. Ik liep om het huis heen en de achterdeur bleek wel open: ik ging naar binnen en kwam in een geheel donker huis. De ramen waren verduisterd, er brandde nergens licht en ook toen ik de trap opliep en in de vertrekken boven keek, was het huis compleet verlaten en donker. Er was nog één deur die ik nog niet had opengemaakt en ik duwde hem open.

 

Ik liep het winkelgedeelte binnen en zag een verschrikkelijk ravage: overal waren dingen omgegooid, de kassa was opengerukt en leeggehaald en er waren sporen van een worsteling. Het was duidelijk: er was een razzia geweest, en Madame Petit was meegenomen. Ik kreeg kippenvel bij de gedachte wat hier gebeurd moest zijn en plotseling wilde ik nog maar één ding: weg uit dit huis. Ik rende door het huis, in paniek zonder precies te weten waarom, en nam een andere deur dan de deur waardoor ik binnen was gekomen. Ik stond in een tuin, duidelijk eens goed onderhouden maar inmiddels overwoekerd met onkruid. Ik stond onder een pergola waar druivenranken omheen groeiden. Het waren rode druiven, rood als bloed, en ik kreeg tranen in mijn ogen toen ik dacht aan wat er met Madame Petit gebeurd moest zijn.

Ik kon het niet langer aanzien en liep snel door de tuin, uit de groene, houten poort. Ik stond in een steegje. Ik liep om het huis, want ik had met Agnes afgesproken bij de fotowinkel. Net toen ik de hoek omliep zag ik iets wat mij altijd zal bijblijven: mijn vriendin was omsingeld door zes Duitse soldaten, die haar vastgrepen en meenamen. Ik wilde iets doen, maar wist niet wat en voor ik het wist was ze verdwenen. Toen brak er iets in mij: ik huilde en huilde, ging op de stoep tegen een muur aanzitten en bleef huilen.

 

Ik weet niet meer hoe ik het station heb weten te vinden, maar het is me gelukt en ik ben op de trein naar Parijs gestapt. In Parijs ben ik bij het Gare du Nord uitgestapt, omdat ik het een te groot risico vond om in het centrum uit te stappen: daar waren waarschijnlijk meer soldaten en Frans sprak ik niet goed genoeg om me eruit te kunnen redden met een leugen. Ze zouden mij immers arresteren als ze erachter kwamen dat ik geen persoonsbewijs mee had, tenminste, geen die ik aan hen wilde laten zien. Ik zocht naar een trein die rechtstreeks naar Genève ging, maar ik kon er geen vinden en toen ik het in mijn gebrekkige Frans aan een conducteur probeerde te vragen, lachte hij me vierkant uit. Kwaad besloot ik uiteindelijk een trein naar Lyon te nemen, dat was tenminste in de richting van Genève. Het bleek een verkeerde beslissing: de trein die ik nam bleek een stoptrein die elke vijf minuten stopte bij een station. Het kostte me een dag om Lyon te bereiken; toen ik daar aankwam begon het al te schemeren en een conducteur wist mij vriendelijk lachend te melden dat er ’s avonds geen treinen reden. Ik moest ergens overnachten maar durfde niet naar een hotel te gaan omdat je daar een persoonbewijs moest tonen. Uiteindelijk ben ik in de trein gaan zitten die de volgende ochtend vroeg naar Genève zou vertrekken. Ik was zo moe dat ik onmiddellijk in slaap viel en ik werd pas wakker toen de trein al onderweg was. Ik besefte pas later waar ik wakker van was geworden: de trein schokte en minderde vaart. Ik werd wakker van bagage die uit de rekken viel. Toen hoorde ik geschreeuw en gestommel in de coupé naast die van ons. In een reflex sprong ik op uit mijn stoel, rende naar achteren en kwam in het gangetje tussen mijn coupé en de coupé erachter. Ik duwde de deuren net ver genoeg uit elkaar en ik sprong naar buiten. Ik landde een paar meter lager, de spoorweg lag op een soort heuveltje. Ik rolde een eindje naar beneden en bleef even stil liggen totdat de trein weg was. Toen sprong ik op en liep naar de weg die ik even verderop zag liggen. Ik heb dat weggetje gevolgd, zo’n drie uur lang liep ik aan één stuk door.

 

 

Het landschap veranderde en werd bergachtiger. Het was vermoeiend om te lopen, maar na drieëneenhalf uur bereikte ik een klein dorpje. Hier en daar renden kinderen of stonden volwassenen te praten. Ik hoorde flarden Frans, maar het klonk niet als het Frans dat ik kende. Ik hoopte vurig dat ik al in Zwitserland zou zijn en besloot het te vragen. Maar toen ik het vroeg, barstte de vriendelijke bakker aan wie ik het vroeg in lachen uit. Hij wist te melden dat ik nog een halve dagreis van de grens was. Ik kon wel huilen en wilde net alle hoop opgeven, toen de man vroeg of ik soms met hem mee wilde rijden. Dolgelukkig vertelde ik in mijn beste Frans dat dat zeker het geval was en die middag zat ik naast de vriendelijke bakker op de bok van zijn simpele koetsje. We spraken niet veel onderweg, we waren beiden in gedachten verzonken. Toen we in de namiddag de grens bereikten zag ik al van verre de Duitse patrouilles staan. Mijn moed zonk mij in de schoenen: ik had immers geen persoonsbewijs en waar zouden ze anders op controleren bij de grens?

 

De boer leek mijn gedachten te raden en beval me om tussen de broden te kruipen. Ik bedekte me zo goed en zo kwaad als het ging met zoveel mogelijk broden en bleef doodstil liggen. Ik hoorde een soldaat in het Duits een korte conversatie voeren. Toen hoorde ik voetstappen dichterbij komen en er werden broden weggeschoven. Als ik zou blijven liggen en gesnapt werd, overleefde ik het waarschijnlijk niet. Toen, terwijl de soldaat al bezig was broden bij mij in de buurt weg te schuiven, hoorde ik een andere soldaat roepen. Ik hoorde nog meer lawaai, voetstappen die zich steeds verder verwijderden en opeens was ik alleen. Ik kroop voorzichtig onder de broden vandaan en zag in de verte de voltallige patrouille achter de bakker aanrennen. Hij was gevlucht, misschien om mij te helpen ontsnappen, misschien omdat hij zelf in gevaar was: ik zal het nooit weten, maar ik ben hem eeuwig dankbaar. Ik kroop op de bok en vuurde de paarden aan; zo snel als het ging reed ik langs de verlaten Duitse grenspost. Ik reed nog verder, door het ruige landschap. Na een half uur begon het landschap te veranderen, het werd minder rotsachtig en hier en daar stonden huizen. Ik bereikte een boomgaard en stopte de koets om uit te rusten.

 

Daar zag ik een kleine man voor mij staan, een dwerg bijna, met een breed, goedig gezicht. Hij droeg een voorschoot en was met rustige gebaren bezig grote trossen druiven te plukken die hij voorzichtig in een mand optaste. Hij zag mij vriendelijk aan en toen ik hem vroeg: ‘Est-ce que je me trouve en France ou dans le canton de Genève?’ luidde zijn antwoord: ‘Vous êtes sur terre libre, madame’. 

           

 

Permalink Laat een reactie achter

In mijn dromen

juni 6, 2008 at 8:42 pm (Schrijfsels, Verhalen) (, , , )

Niet zo lang geleden heb ik dit verhaal geschreven voor een bijdrage aan de schoolkrant. Weet nog niet of het daar ook daadwerkelijk inkomt, maar hier publiceer ik het maar alvast. Het is een mengeling van twee verhalen die ik al eens eerder had geschreven, maar over beide was ik niet tevreden. Daarom heb ik deze mengelmoes geschreven, waar ik een stuk tevredener over ben. Het is een avontuurlijk verhaal – normaal gezien niet helemaal mijn stijl, maar ik vind het toch best aardig geworden. Commentaar is natuurlijk altijd welkom.

 

Ik lig op mijn handdoek op het strand. Ik heb mijn ogen dicht, de zee ruist op de achtergrond. De zon staat hoog aan de hemel, ik voel de stralen op mijn huid tintelen. Ik ben nog nat van de duik in zee die ik net heb genomen, maar koud is het niet: het is bijna dertig graden. Overal om me heen hoor ik mensen praten, giechelen of fluisteren; in de branding spelen kinderen

wedstrijdjes tegen de golven, zandkastelen bouwen of tikkertje.

 

Dan schiet ik overeind. Een ongemakkelijk gevoel bekruipt me en het duurt even tot ik me realiseer wat het is: de stilte. Een oorverdovende stilte. Ik kijk om me heen: de zon schijnt en de lucht is strakblauw, maar het strand is ineens compleet verlaten. Het lijkt of zelfs de zee niet echt meer is, het kalme ruisen van de golven ontbreekt. Rillend krabbel ik overeind, het is kil aan het worden en ik sla mijn handdoek om me heen. Instinctief begin ik richting de zee te lopen, de zee die er zo angstaanjagend glad uitziet: het is compleet windstil en zelfs het kleinste golfje ontbreekt. Hoe dichterbij ik kom, hoe killer het lijkt te worden. Af en toe kijk ik om me heen maar er is nogal altijd niemand. En dan zie ik het: van een afstand leek het een ondiepe kuil, alsof hij gegraven was door een stel kinderen, maar nu ik dichterbij kom zie ik dat de kuil in werkelijkheid een iets dieper gelegen luik is. Ik hurk, veeg een beetje zand van het luik en trek dan aan het handvat: het luik is loodzwaar maar het lukt: krakend en piepend weet ik het open te krijgen. Ik kijk naar beneden: een grote, zwarte leegte. Dan hoor ik een langzaam, slepend geluid in het zand. Bonk, bonk.

 

Plotseling valt er een schaduw over de kist.  Nog voordat ik het besef heb om achterom te kijken wordt er een zware hand op mijn schouder gelegd. Vanuit mijn ooghoeken zie ik nog net de vingertoppen, zwart van het vuil. Ik schrik zelf van mijn reactie: zonder verder na te denken spring ik in de grote, zwarte leegte. Ik verwacht vaste grond onder mijn voeten te voelen, maar in plaats daarvan lijkt het alsof ik tot in het oneindige zal blijven vallen. Ik kijk naar boven: ik zie de gedaante me nakijken. In één van zijn handen houdt hij iets glimmends.

 

Het lijkt een eeuwigheid te duren voordat ik met een doffe klap op de grond terechtkom en even wordt alles zwart voor mijn ogen. Als ik weer bij zinnen ben, beweeg ik voorzichtig mijn ledematen. Alles doet het nog. Ik sta op en ik schrik als ik om me heen kijk: ik sta aan het begin van een tunnel met aan weerszijden brandende fakkels. Voorzichtig, voetje voor voetje, volg ik de muur totdat mijn ogen aan het schemerduister gewend zijn.

Behalve de brandende fakkels beweegt er niets en is het volkomen stil in de gang.

De tunnel lijkt oneindig lang. Af en toe buigt hij af, soms sterk, soms slechts een flauw bochtje: dan weer een hele tijd rechtuit. Naarmate ik langer de tunnel volg begin ik echter meer geluiden te horen: één keer hoor ik ergens, heel in de verte, een klap en even later hoor ik van achter me zachtjes een ritmisch bonkend geluid, dat nog het meest lijkt op voetstappen. Bonk, bonk. Ik begin harder te lopen, want in de verte zie ik een bundel van licht opdoemen. Het geluid achter me wordt steeds luider en ik ren nu bijna: de voetstappen gaan ook sneller en sneller. Dan zie ik een deur in de linkermuur: ik trek hem op een kier, wurm me erdoor heen en doe hem snel weer achter me dicht. De voetstappen in de tunnel verstommen

plotseling.

 

Hijgend kijk ik om me heen: ik sta in een kleine, ronde kamer. In het midden staat een grote, eikenhouten tafel met een bordeauxrood kleed erover en een brandende olielamp erop. Ernaast ligt een vel oud papier en een pauwenveer naast een tot de rand gevuld inktpotje. Ik loop naar de tafel toe: het vel is onbeschreven. Aan de muur hangt slechts één schilderij. Met een schok herken ik het strand, waar de kinderen spelen in de branding. De handdoek die ik nog steeds om me heen heb geslagen is ook afgebeeld, in het centrum van het schilderij: er ligt alleen niemand op…

 

Recht tegenover de deur staat een kast met boeken. Ik hou mijn hoofd schuin en probeer de titels te lezen, maar het lukt niet. Ik herken de letters, maar kan ze niet plaatsen in mijn hoofd, ik kan er geen woorden mee vormen. Ik strijk met mijn vingertoppen over de ruggen van de boeken: geen stofje te bekennen. De plank is niet helemaal gevuld met boeken: links staat een mandfles met een vreemde, donkerpaarse inhoud. Ik onderdruk de aandrang de dop eraf te schroeven en te ruiken of zelfs te proeven: iets houdt me tegen en misschien is dat maar goed ook. Als ik verder kijk zie ik tot mijn grote verbazing op de onderste plank een klein borstbeeld staan van een man met een haakneus en lang, krullend haar. Net als ik me afvraag wie dat zou kunnen zijn, hoor ik de deur kraken.

 

Het duurt even voordat mijn voeten me gehoorzamen. Ik spring onder de tafel en trek het kleed iets meer naar voren, zodat ik met een beetje geluk niet te zien ben. Net op tijd, de deur gaat piepend en krakend open. In de deuropening staat een man met een haakneus en lang, krullend zwart haar. Hij lijkt griezelig veel op het borstbeeld in de kast… Even blijft hij staan en hij kijkt zoekend de kamer rond. Dan beent hij de kamer in: bonk, bonk.

Hij doorzoekt de kast, neemt nog snel een grote slok uit de mandfles en trekt dan in één beweging het tafelkleed weg. Verstijfd van schrik kijk ik hem in de ogen. Hij kijkt naar me alsof hij niemand anders had verwacht en trekt me aan mijn arm onder de tafel vandaan. Tot mijn grote schrik laat hij dolk uit zijn mouw glijden. Hij pakt hem bij het heft en hij tilt de dolk op. Ik doe mijn ogen dicht en wacht op de klap…

 

Badend in het zweet schrik ik wakker. Vluchtig kijk ik om me heen: een jongetje rent voorbij met een emmertje en schepje in de hand. In de verte blaft een hond: ik hoor mensen praten, fluisteren of giechelen. De zee ruist op de achtergrond. In de branding spelen kinderen: ze bouwen zandkastelen of spelen tikkertje. Het is warm, bijna dertig graden. De zon schijnt.

Mijn hand beweegt langzaam, als vanzelf, naar mijn hals.

 

‘Dus… Wie heeft Caligula vermoord?’ Ik schrik wakker. Het duurt even voordat ik weer helemaal bij zinnen ben en ik besef dat me een vraag gesteld wordt. Razendsnel probeer ik de tijd terug te spoelen om de vraag te achterhalen. Naast me fluistert een vriendin ‘de prefect van de praetoriaanse garde…’. Gelukkig wordt de leraar ongeduldig en hij stelt de vraag aan iemand anders.

Mijn hand glijdt langs mijn hals. Ik voel een dun litteken.

Permalink Laat een reactie achter

Klimaatverandering in míjn ogen

juni 6, 2008 at 8:38 pm (Mijn Mening) (, , , , )

Waarom zijn er alleen plannen tegen klimaatsverandering op de lange termijn? ‘In 2010 moet Nederland 5% schoner zijn’. Ja, en dan? Misschien is het dan al te laat, als we zo doorgaan, is er in 2010 geen Noordpool, geen Bangladesh en geen Nederland meer. Waarom denken wij nu toch dat als we nou allemaal maar 5 procentjes schoner worden, de wereld gered gaat worden? Zo lang wij auto’s, vliegtuigen, kerncentrales en snelwegen blijven bouwen gaan het milieu en de aarde achteruit. Wij wonen op de aarde: tenzij we spontaan allemaal naar Mars vertrekken, hebben wij de aarde nodig om te leven. Dat gaat niet lukken als we haar zo vervuilen als we nu doen. Waarom blijven we volhouden dat we schoner kunnen leven zonder comfort te verliezen? Waarom wijzen we áltijd naar anderen, en nooit naar onszelf? Waarom moet Amerika met baanbrekende maatregelen komen, en waarom moeten wij daarop wachten? Als wíj, met onze geweldige technische universiteiten, nu eens gaan nadenken over schonere auto’s die niet op benzine of diesel rijden in plaats van met ingehouden adem wachten tot de Amerikanen tot de ontdekking komen dat er eens iets gedaan moet worden?

Waarom willen we geen schone auto’s? Omdat die meer geld kosten. Waarom kosten ze meer geld? Omdat ze speciaal zijn. Maar wat hebben de makers in godsnaam aan geld, als de aarde dreigt te verdrinken? Waarom gebruikt niet íedereen spaarlampen, waarom zorgen we er niet voor dat we niet meer afhankelijk zijn van de grondstoffen van de aarde?

En waarom, wáárom denken wij alleen aan onszelf? Wij liggen inderdaad onder zeeniveau, wij zullen als een van de eersten overstroomd worden als de zeespiegel echt zo gigantisch stijgt. Maar er zijn landen die óók onder zeeniveau liggen, én geen geld hebben voor hogere dijken of andere maatregelen. Wat moet er van Bangladesh worden, als de zeespiegel stijgt? Waarom denken we daar niet aan?

Waarom staat er niet iemand op in onze fantastische regering, die de leiding neemt en iets concreets doet? Kennelijk hebben mensen een leider nodig, die hen vertelt wat te doen. Wij doen het niet uit onszelf, iedereen rijdt nog altijd vrolijk rond in hun lustig CO2-uitstotende auto’s en fabrieken vervuilen er lustig op los. Iedereen is bezig met een nieuw kabinet, maar we hebben weinig aan een kabinet als het te besturen land verdronken is.

Als we besluiten dat we de aarde ook voor komende generaties heel willen houden, moeten we niet steenrijke eurocomissarissen naar Brussel sturen om daar (net uit hun BMW gestapt) ze eens fijn over milieuvervuiling te laten praten. We moeten niet pietluttig doen over anderhalve procent hier, en twee procent daar. Er moeten afspraken komen, en goede afspraken ook. Als er landen niet mee willen doen, prima, ze hebben zichzelf ermee. Maar als er één schaap over de dam is, volgen er meer.

Permalink Laat een reactie achter

Twee soorten ‘repetitie’

juni 6, 2008 at 8:32 pm (Just a blog)

Zozo, vandaag twee soorten ‘repetitie’. Eén in de vorm van een proefwerk Wiskunde, dat zó belachelijk slecht ging bij vrijwel de hele klas dat we halverwege gewoon de slappe lach kregen. De lerares was even iemand op de gang terechtwijzen en in plaats van als een bezetene bij elkaar af te kijken vroeg iemand doodleuk of er íemand in het lokaal was die hier wél iets van snapte. We smeekten om het proefwerk te laten herkansen (met hoogste cijfer telt natuurlijk!) of zelfs te laten vallen… Of om het op z’n minst niet 2 keer, maar één keer mee te laten tellen. Helaas was de lerares onverbiddelijk, dus nu is het maar hopen dat iedereen zich kranig geweerd heeft.

Vanavond had ik vervolgens een repetitie met een strijkorkest: ik ben door hen gevraagd een solo-rol te vervullen op hun slotconcert en wel in de vorm van ‘het harpconcert in bes’ van onze geliefde G. F. Haendel. Een stuk waar ik nu al een jaar steeds in meer of mindere mate mee aan het werk geweest ben en wat je nu voor ‘uitvoerbaar’ zou kunnen beschouwen – ware het niet dat het, als ik zenuwachtig ben, nog steeds niet altijd even denderend lukt. De trillers en loopjes zijn er technisch wel ingeramd, maar als ik struikel raak ik toch echt af en toe wéér de weg kwijt. In ieder geval, de repetitie ging verder wel enigszins naar tevredenheid, ik weet in ieder geval weer waar ik aan moet werken…

Kortom: repetities zijn niet altijd mijn sterkste kant(a). En nu beloof ik mijn belofte van vanochtend in te lossen: ik ga mijn archiefje ‘publiceren’.

Permalink Laat een reactie achter

Today…

juni 6, 2008 at 6:41 am (Just a blog)

is the first the of the rest of your life. Een bekende zin en ook nog eens een waarheid als een koe, dat moet gezegd worden.

Vandaag ga ik eerst maar eens mijn bescheiden ‘archief’ van schrijfsels, verhalen, gedichten, betogen en dergelijke op deze blog zetten zodat het niet meer alleen een leeg, stoffig hoekje op het enorme World Wide Web is. Eerst nog even naar school en een proefwerk wiskunde maken, maar als ik weer terugben beloof ik plechtig te bloggen tot ik erbij neerval – of in ieder geval tot mijn voorraad schrijfseltjes uitgeput is en er weer nieuwe geschreven zullen worden.

Permalink Laat een reactie achter

Hello world!

juni 5, 2008 at 7:07 pm (Uncategorized)

Eindelijk, eindelijk ben ik dan ook een blog begonnen. Na lang twijfelen of ik het wel zou doen (post ik wel genoeg? zijn mijn overpeinzinkjes wel boeiend?) heb ik besloten het maar gewoon te proberen.

Het zullen niet alleen blogs zijn die ik hier post, maar al mijn ’schrijfseltjes’. Sommige heb ik voor school geschreven: verhalen, boekenrecensies, dat soort dingen. Soms zullen het dingen zijn die ik voor mezelf heb opgeschreven, over mijn mening, mijn standpunt over iets. Vaak zullen het ook gewoon alledaagse blogjes zijn. Neem niet alles té serieus raad ik jullie aan.

Alvast bedankt voor het lezen!

Permalink 2 Reacties

Hello world!

juni 5, 2008 at 6:22 pm (Uncategorized)

Welcome to WordPress.com. This is your first post. Edit or delete it and start blogging!

Permalink 1 Reactie

« Previous page