‘De teerling is geworpen’ – Jean-Paul Sartre

augustus 16, 2008 at 5:55 pm (Literatuur) (, , , , , )

Pierre en Eva gaan beiden om totaal verschillende leven toevallig op hetzelfde moment dood. Pierre, één van de leiders voor een aanstaande opstand, wordt vermoord door een verrader; Eva, een vrouw die gevangen zit in een ongelukkig huwelijk, wordt vermoord door haar man omdat hij uit is op de bruidsschat van haar jongere zusje. Pas na hun beider dood ontmoeten zij elkaar, terwijl ze rondzwerven door de straten van hun vroegere stad als schimmen, onzichtbaar voor de levenden. Hoewel ze dood zijn en elkaar op geen enkele manier kunnen aanraken raken zij op slag verliefd op elkaar. Dan worden zij teruggehaald naar het administratieve kantoor waar het leven van ieder mens gepland wordt; door een fout van het kantoor zijn zij elkaar tijdens hun leven misgelopen, terwijl ze voor elkaar bestemd waren. Ze krijgen de kans om samen terug te keren naar het leven, waar ze binnen vierentwintig uur moeten bewijzen dat hun liefde alles kan overwinnen.

‘De teerling is geworpen’ is een bijzonder verhaal over twee mensen, die hoewel ze voor elkaar bestemd waren en er toch niet in slagen om ‘in alle vertrouwen en met alle kracht van elkaar te houden’ (p. 73). Het is, behalve een liefdesverhaal, ook een zoektocht naar de vraag of je werkelijk je leven opnieuw kunt beginnen. Of is de teerling toch al geworpen, is hun levenslot al bepaald door vroegere keuzes en daden? Sartres existentialistische ideeën komen in het boek duidelijk naar voren wat het een bijzondere leeservaring maakt. Daarnaast is het ook een enorm ontroerend boek over twee geliefden, met een treurige ontknoping waar toch ook weer hoop vanaf sprankelt. Het boek laat je achter met een ‘Het is goed zo.’-idee.

Zie ook: Over Sartre (Just a Blog)

Permalink Laat een reactie achter

‘Extreem luid & Ongelooflijk dichtbij’ – J. S. Foer

augustus 13, 2008 at 11:58 am (Literatuur) (, , , )

‘Wat dacht je van een waterketel? Bijvoorbeeld eentje met een tuit die open- en dichtgaat zodra het water begint te koken, als een soort mond, en die leuke wijsjes kan fluiten, of Shakespeare kan citeren, of waarmee ik de slappe lach kan krijgen? Ik zou ook een waterketel kunnen uitvinden die voorleest met papa’s stem, zodat ik erbij in slaap kan vallen, of een aantal ketels die het refrein van ”Yellow Submarine” zingen, een nummer van The Beatles, die ik geweldig vind, want insectenkunde is één van mijn raisons d’être, dat is een Franse uitdrukking die ik ken…’  (p. 13)
Het begin van een extreem ontroerend boek, met in de hoofdrol Oskar Schell: uitvinder, Groot Ontdekkingsreiziger, archeoloog van Central Park, inconsequent veganist, Shakespeare-acteur, pacifist, verwoed schrijver van famail en verzamelaar van zeldzame munten en vlinders die een natuurlijke dood zijn gestorven. Oskar is nieuws- en leergierig en bovenal: negen jaar oud.
Hij verloor zijn vader bij de aanslagen op het WTC in New York; het verdriet dat daarmee gepaard gaat kan hij maar moeilijk verwerken. Als hij een sleutel in een vaas vindt die van zijn vader is geweest begint een geheime zoektocht door New York, op zoek naar het slot dat past bij de mysterieuze sleutel. Zelfs aan zijn oma, waarschijnlijk de belangrijkste figuur in zijn leven na de dood van zijn vader, vertelt hij niets.
En dat is nog maar één van de verhaallijnen. Terwijl Oskar op zijn geheel eigen wijze probeert een betekenis aan de dood van zijn vader te geven duikt zijn vele jaren geleden verdwenen grootvader weer op; een overlevende van het bombardement op het Duitse Dresden. Hij trekt bij oma in als ‘de huurder’ en aanvankelijk weet niemand behalve oma dat hij in werkelijkheid Oskars mysterieuze grootvader is. De brieven die hij schrijft aan zijn kleinzoon vormen ook een deel van het boek.

‘Extreem Luid & Ongelooflijk Dichtbij’ neemt de lezer vanaf de eerste pagina mee in het leven van Oskar en later ook dat van zijn grootvader en oma; allemaal proberen ze, elk op eigen manier, zin te geven aan het leven en vooral aan de dood van hun dierbaren. Daarnaast schittert het boek door de enorme fantasie van zijn schrijver! Oskar verzint de meest wonderlijke dingen, zo stelt hij voor een postzegel uit te vinden met crème bruléesmaak. Niet alleen in het schrijven zelf komt dit tot uiting, ook in de uitvoering van het boek: foto’s van zaken waar Oskar zich mee bezighoudt, pagina’s waar letters over elkaar heen geschreven zijn omdat iemand te weinig plaats had zijn verhaal te vertellen, waardoor het onleesbaar is geworden… Oskars grootvader, die zijn vermogen om te spreken is kwijtgeraakt, schrijft alles wat hij wil zeggen op een verder leeg vel op waardoor er dus pagina’s in het boek voorkomen met één enkel zinnetje en verder blanco papier. De opbouw van het boek verdwijnt hierdoor en soms is het absoluut niet duidelijk vanuit welk perspectief het verhaal verteld wordt. Het is aan de lezer zelf om alle verhalen uiteindelijk op hun plaats te laten vallen en als het boek uit is, zijn de verhalen nog lang niet allemaal compleet. 
De thema’s - waarheid, liefde, communiceren en de onmogelijkheid daarvan door verdriet of verlies van dierbaren – zouden van Extreem luid & Ongelooflijk dichtbij heel gemakkelijk een behoorlijk zwaar, donker boek kunnen maken. Echter, dankzij de humor en Foers lichte, vrolijke schrijfstijl, plus de vele verschillende vertelmanieren in het boek (dagboeken, brieven, gedachten) is het boek verre van dat. Op een lichte manier worden er antwoorden gegeven op vele grote vragen over waarheid, liefde en de dood: ”Verlegenheid is als je je afkeert van iets wat je wilt. Schaamte is als je je afkeert van iets wat je niet wilt.” (p. 194). ”Ik vind het jammer dat het een leven duurt om te leren hoe je moet leven.” (p. 200)Kortom: een ontroerend, licht en humoristisch boek over de grote vragen over het leven en de dood. Een aanrader door de prachtige schrijfstijl en de fantasie die van de pagina’s afspat. Elke passage verrast de lezer opnieuw, van begin tot het eind. Een aanrader!

Permalink Laat een reactie achter

‘Tirza’ – Arnon Grunberg

augustus 10, 2008 at 3:05 pm (Literatuur) (, , , , )

Op het eerste gezicht lijkt Jörgen Hofmeester een in alle opzichten min of meer gewone man; hij is vader van twee dochters, woont in een mooi huis aan de Van Eeghenstraat in Amsterdam en als zijn jongste dochter haar eindexamenfeest geeft, staat hij de hele dag in de keuken om de sushi te verzorgen. Dat zijn vrouw hem had verlaten voor een jeugdliefde en pas drie dagen vóór de eerste scène in het boek is teruggekomen blijkt pas later, evenals het feit dat Hofmeester eigenlijk vooral houdt van zijn jongste dochter Tirza en dat het wel en wee van de oudste, Ibi, hem feitelijk koud laat. Alles verwacht hij van Tirza: hij noemt haar hoog-hoogbegaafd, wil van haar een cellotalent en wedstrijdzwemster maken. Al vanaf haar tiende leest hij haar Tolstoj voor in de veronderstelling dat ze dat moet leren waarderen. Dat Tirza hierdoor denkt perfect te moeten zijn en hierdoor een eetstoornis ontwikkelt kan hij niet bevatten. Dankzij een zorgvuldig gepland financieel beleid heeft hij een aardig vermogen; als de wereldeconomie echter instort dankzij de aanslagen van elf september is hij vrijwel zijn hele kapitaal in één klap kwijtgeraakt.
Na haar eindexamen besluit Tirza een reis naar Afrika te maken samen met haar vriend. Als zij hem voorstelt aan Hofmeester op haar eindexamenfeest ziet Hofmeester in de vriend Mohammed Atta. Dit beeld blijft hem achtervolgen; hij ziet Tirza’s vriend als degene die zijn vermogen in rook heeft laten opgaan, als de schuldige van het feit dat zijn vrouw hem had verlaten. Als de twee, eenmaal in Afrika, niets meer van zich laten horen reist hij ze achterna om naar ze te gaan zoeken.

‘Tirza’ vertelt het verhaal van een vader die zijn dochter wil beschermen maar niet weet hoe hij dat moet doen. Jörgen Hofmeester is een gedesillusioneerde man, die naarmate het boek vordert zich beseft dat zijn hele leven mislukt is. De gedachte hieraan maakt hem bijna krankzinnig en beïnvloeden alles wat hij doet. Als lezer zit je in het hoofd van deze man, je volgt zijn gedachtenwereld die verklaart wat hij uiteindelijk gedaan blijkt te hebben.

Het boek komt vrij langzaam op gang, met name omdat je na de eerste bladzijdes teruggaat in de tijd, naar de tijd dat Hofmeester en zijn vrouw nog bij elkaar zijn en dat hun twee dochters geboren worden. Terwijl het verhaal verder gaat met het eindexamenfeest van Tirza komen er herinneringen boven bij Hofmeester over eerdere gebeurtenissen. Langzaamaan wordt duidelijk waarom Tirza een eetstoornis had, waarom zijn vrouw hem verlaten had en waarom zijn oudste dochter nauwelijks nog iets van zich laat horen. De gedachten van Hofmeester worden steeds krankzinniger wat op een knappe, subtiele manier door Grunberg door het verhaal verweven wordt. Het einde grijpt terug op een gebeurtenis eerder in het boek zonder dat je dat in de gaten hebt op het moment dat je als lezer die passages leest; een bijzondere en vooral verrassende ontknoping volgt. Pas achteraf vallen de puzzelstukken weer hun plaats en snap je als lezer waar alle losse herinneringen mee te maken hadden. Een bijzonder goed geschreven boek!

Permalink Laat een reactie achter

‘Lijmen’ – W. Elsschot

juni 22, 2008 at 6:45 pm (Literatuur) (, , , )

Ook deze recensie heb ik een tijd geleden voor school geschreven. We kregen een nogal strak schema op en de recensie is behoorlijk ‘zakelijk’ – niet helemaal mijn stijl, maar ik zal ‘m toch zo publiceren als hoe ik hem destijds heb ingeleverd.

‘Lijmen’ – Willem Elsschot.
Verschenen in 1924, later verscheen een vervolg: ”Het been”.

A) Samenvatting.
‘Lijmen’ vertelt het verhaal van de hoofdpersoon en verteller ‘Laarmans’, die zijn verhaal aan een oude jeugdvriend vertelt die hij ontmoet in een café. Het vertelt hoe Laarmans de oude Boorman ontmoet, die hem leert te ‘lijmen’, klanten zover krijgen een flinke hoeveelheid ‘Wereldtijdschriften’ te kopen die hoofdzakelijk uit onzin bestaan. Uiteindelijk is de bedoeling dat Laarmans het bedrijf overneemt.

B) Hoofdpersoon: Karakter, normen en waarden
‘Laarmans’ is in het begin van zijn verhaal een vrij verlegen, simpele man die door de oude Boorman op sleeptouw genomen wordt. Hij snapt aanvankelijk weinig van wat hij allemaal te doen krijgt en loopt voornamelijk achter de oude man aan: (p. 14) ”Zoudt u daarmede niet alvast afrekenen?’ vroeg de man [Boorman] met een blik op mijn fornuis. Ik legde mijn pijp op de grond, zette mijn hiel erop en drukte de kop tot gruis.”. Naarmate het boek vordert blijkt hij intelligent te zijn en veel inzicht te hebben in de gedachten van mensen; (p. 11) ‘De meester-smid wierp een moedeloze blik op de technische mestvaalt (…) hij probeerde op te luisteren door aan zijn verwaaide snor te draaien.’ Hij heeft over het algemeen weinig medelijden van de eigenaren van bedrijven die Boorman te gronde helpt door het verkopen van veel te grote hoeveelheden tijdschriften; slechts met één vrouw heeft hij wel medelijden, de eigenaresse van een smederij.

C) Vergelijking hoofdpersoon: begin en einde van het boek.
Het verhaal van Laarmans beschrijft zijn ontwikkeling van verlegen jongeman naar een oplichter eersteklas. Aanvankelijk begrijpt hij niets van wat hij moet doen; later wordt hij steeds sluwer en handiger in het zakendoen en steeds meedogenlozer tegenover de mensen die hij oplicht. Daarbij ontwikkelt hij een zekere flair; het feit dat hij plotseling geld te over heeft geeft hem het idee dat hij de wereld aankan: (p. 8) ”Wat of ik uitvoer? Ja, wat zal ik zeggen? Makkelijk om te vertellen is dat niet (…) Nog een stout?” En hij bestelde werkelijk nog twee flessen. ‘Ik betaal alles,’, stelde hij gerust.”

D) Relatie hoofdpersoon tot andere personages
Laarmans ontmoet in het begin van zijn verhaal de oude heer Boormans; hij heeft veel ontzag voor de man, die volkomen zelfverzekerd is en ontzettend handig is in het ‘lijmen’. Pas veel later in het verhaal durft hij af en toe iets tegen Boorman in te brengen, maar ook dan is Boorman nog altijd de absolute baas.

E) Vertelperspectief.
Eigenlijk zijn er twee ik-personages; de eerste is de man die Laarmans ontmoet en waaraan Laarmans zijn levensverhaal vertelt; (p.7) ”Ik had de man, die één tafel verder tegenover mij zat, reeds een paar keer aangekeken (…)”. De rest van het boek, vanaf het 2e hoofdstuk, vertelt Laarmans zijn verhaal in het ik-perspectief; (p. 10) ”Ik heb Boorman ontmoet, zoals wij elkaar gisteren ontmoet hebben, namelijk in een café, geheel onverwachts, maar nog iets later in de avond.”

F) Spelingen met de tijd?
Het boek bestaat voor een groot deel uit flashbacks, Laarmans en de eerste, naamloze ik-persoon ontmoeten elkaar na jaren en Laarmans vertelt zijn levensverhaal. Dit gebeurt dus nadat alles heeft plaatsgevonden waardoor het boek één grote flashback is. De ‘open plek’ is dus aan het begin van het boek alles tussen Laarmans’ eerste zinnen van zijn verhaal en het moment dat hij dit aan het vertellen is aan zijn jeugdvriend. Naarmate het boek vordert vult deze open plek zich met het levensverhaal van Laarmans, tot op het moment dat hij het aan het vertellen is aan zijn vriend.

G) Drie argumenten waarom u dit boek zou moeten lezen.
1) Dit boek is één van de bekendste boeken van de Nederlandse literatuur. Willem Elsschot staat bekend om zijn ‘pure’ manier van schrijven; zijn schrijfstijl is simpel, zonder poespas en juist daarom komen de vele grapjes en mooie passages goed tot hun recht.
2) Het boek is ontzettend geestig geschreven: juist door het pure taalgebruik komt de humor van het verhaal beter naar voren. Vooral de oude Boorman heeft een bijzondere kijk op het leven en een bijzonder inzicht in de manier waarop mensen denken: (p. 62) ”Aan dat incasseren zal je plezier beleven want de meesten beseffen pas waar het om gaat als je ze de kwitantie onder de neus houdt. Dan voelen zij zich als bij een wandeling in een bos met een beminnelijke gezel die onder ‘t kouten een pistool uit zijn gordel trekt.” Het boek is doorspekt met dit soort opmerkingen van de oude man, en dit in combinatie met het vaak wat timide, simpele denken van Laarmans is heel vermakelijk.
3) Door het ik-perspectief kun je je vanaf de eerste drie regels van het verhaal van Laarmans goed verplaatsen in hem. Hij begint te vertellen wat hij aan het doen was vlak voor hij Boorman ontmoette; (p. 10) ”Ik had lusteloos achter een vlag gelopen, ‘k weet zelf niet meer ter ere van wie. Een liberaal of iets van dien aard.” Dan vertelt hij hoe hij eigenlijk diep ongelukkig was, maar simpelweg niet wist hoe hij daar iets aan kon doen: (p. 11) ”Toen ik in het bijzonder aan de ‘’salutations distinguées” dacht die ‘k over dertig jaar nog typen zou, keek ik rond of ik soms iemand de vrees zat te bekijken die op mijn gezicht te lezen stond.’

Permalink Laat een reactie achter

Nachttrein naar Lissabon

juni 6, 2008 at 8:59 pm (Literatuur) (, , , , )

Nachttrein naar Lissabon                                                                         Hanna Lammertse
Schrijver: Pascal Mercier                                                                          Klas 3D
Uitgeverij Wereldbibliotheek

‘Het leven is niet het leven dat we leven; het is het leven dat we ons voorstellen te leven.’
Raimund Gregorius is al jaren docent klassieke talen aan het gymnasium in Bern. Op een dag ontmoet hij een Portugese vrouw die hem zo intrigeert, dat hij midden in een les opstaat en wegloopt, zijn leven in Bern achter zich latend. Niet veel later loopt hij een oud Spaans boekenantiquaraat binnen op zoek naar boeken om Portugees te leren. Per toeval vindt hij daar een zeer bijzonder Portugees boek, dat hem gegeven wordt door de oude winkelier. Hij raakt volledig in de ban van het boek, geschreven door ene Amadeu de Prado. Een paar dagen neemt hij in een opwelling een nachttrein naar Lissabon, om op zoek te gaan naar de mysterieuze schrijver van het boek. Hij raakt verstrikt in een zoektocht naar Prado, maar vooral ook naar zichzelf: hoe meer mensen hij ontmoet wier leven vervlochten was met dat van Amadeu de Prado, hoe meer hij het besef krijgt dat de tijd hem door de vingers glipt. ‘Nachttrein naar Lissabon’ draait om alle grote vragen van het leven, bijvoorbeeld over vriendschap, loyaliteit en eenzaamheid.

Uit de eerste pagina’s denk je als lezer op te maken dat Raimund Gregorius een intens rustig, haast saai personage is dat zeer vaste principes heeft waar hij niet van plan is vanaf te wijken. Echter, al meteen na de ontmoeting met de Portugese vrouw begint hij te twijfelen aan alles waar hij eerst nog zo zeker van was: ‘Met een schok, heel anders dan hij van zichzelf had verwacht, drong het tot hem door hoezeer hij dat gebouw en alles waar het voor stond liefhad en hoezeer hij het zou missen. […] Gregorius draaide zich om en liep langzaam in de richting van de Kirchenfeldbrücke. Toen de brug in zicht kwam had hij het vreemde, even verontrustende als bevrijdende gevoel dat hij op het punt stond zijn leven op zevenenvijftigjarige leeftijd voor het eerst in eigen hand te nemen.’(p. 20/21/22)
Tot aan de ontknoping blijft het leven van zowel de hoofdpersoon Gregorius als de schrijver van de mysterieuze aantekeningen, Amadeu de Prado, verrassen en intrigeren. Prado blijkt een uitzonderlijk charismatische en zeer intelligente persoonlijkheid te zijn geweest, die desondanks worstelt met zijn leven en –vooral- zijn verleden. Gregorius treedt als het ware in de voetsporen van Prado door diens aantekeningen te lezen en op zoek te gaan naar dat verleden; hij ondergaat een immense verandering, die je als lezer van het begin tot het eind volgt.

Terwijl Gregorius op zoek gaat naar Prado kom je als lezer ook steeds meer te weten over zijn eigen leven en vooral zijn eerst zo vaststaande principes, omdat Gregorius zelf, voornamelijk dankzij Prado’s aantekeningen, steeds terugdenkt aan zijn eigen kijk op de wereld. Gregorius verplaatst zich in het leven van Prado en concludeert dat hij zelf, hoewel dat op het eerste gezicht niet het geval leek, op verschillende vlakken heel veel overeenkomsten vertoont met Prado. Hij volgt Prado’s gedachten via diens boek en de verhalen van diens vrienden en als lezer merk je op een gegeven moment dat het niet alleen Prado’s gedachten zijn, maar nu ook die van de hemzelf. Gregorius blijft hangen bij vragen die Prado zichzelf stelt in de aantekeningen en probeert er voor zichzelf een antwoord op te formuleren, iets wat tot zijn grote schrik lang niet altijd mogelijk is. Gregorius, die anders altijd de rust zelf was, begint door deze vragen steeds onzekerder en zelfs bang te worden dat alles waar hij dacht van op aan te kunnen, hem ontglipt: ‘Wat hij zonder te beseffen had gezocht, was een woord dat bij Homerus maar één enkele keer voorkwam. Het was alsof iets achter zijn rug, verborgen in de coulissen van zijn geheugen, wilde testen of zijn geheugen nog net zo goed was als vroeger. Zijn ademhaling ging snel. Het woord kwam niet. Het kwam niet. […] Met een hart dat als een razende tekeerging rende hij naar de kast en haalde de Odyssee eruit. Het oude, hard geworden leer sneed met zijn scherpe kanten in zijn handpalm. Koortsachtig bladerde hij in het boek en blies het stof van de bladzijden. Het woord stond niet op de plaats waar hij had gedacht.’ (p. 363/364).
De manier waarop de hoofdpersoon verwikkeld raakt met iemand die naarmate het boek vordert steeds meer zélf de hoofdpersoon lijkt te zijn, maakt het boek heel ontroerend.

De aantekeningen in het boek van Prado zetten echter niet alleen de hoofdpersoon aan het denken, maar ook de lezer zelf. De lezer wordt meegezogen in de gedachtewereld van Prado. Hij filosofeert over alle grote vragen des levens, heeft overal een duidelijke mening over maar lijkt daar soms zelf juist aan te twijfelen. Door middel van zijn eigen aantekeningen lijkt Prado zichzelf te willen overtuigen van zijn  gelijk. Als lezer lees je mee met de hoofdpersoon, die zelf de teksten uit het Portugees vertaalt; Pascal Mercier is zelf filosoof en dat is goed te merken aan de filosofische aantekeningen, die je ook als lezer aan het denken zetten: ‘Is het zo dat alles wat we doen uit eenzaamheid wordt gedaan? Is het om die reden dat we afzien van alle dingen waarvan we aan het eind van ons leven berouw hebben? Is dat de reden waarom we zo zelden zeggen wat we denken? Waarom anders houden we vast aan al die ontwrichte huwelijken, leugenachtige vriendschappen, saaie verjaardagsdiners? Wat zou er gebeuren als we al die dingen zouden opgeven, een eind zouden maken aan de sluipende chantage en voor onszelf zouden kiezen?’ (Amadeu de Prado, p. 315)

‘Het Parool’ had gelijk: Nachttrein naar Lissabon verdient het om een bestseller te worden. De verandering die de hoofdpersoon doormaakt is mooi weergegeven: de verstrengeling die langzaamaan ontstaat tussen hoofdpersoon en de mysterieuze Amadeu de Prado is ontroerend, evenals de angst die je ziet groeien bij beiden. De filosofische aantekeningen in het boek zijn mooi en zetten de lezer aan denken. Dat is duidelijk de bedoeling van het boek: iedere lezer zelf aan het denken zetten. Amadeu de Prado zei het al: ‘Onze verbeeldingskracht is ons laatste heiligdom’.

Permalink Laat een reactie achter