Mijn verhaal
We keken een film over een misdaad ergens in een bos in Japan – de clue was niet helemaal duidelijk en dat bleek achteraf ook de bedoeling, we moesten er een epiloog van schrijven. De titel van de film weet ik niet meer en dat doet er ook niet zoveel toe, maar dit verhaal is er uit voortgekomen. Het idee was om de ware gebeurtenis (volgens mijn fantasie althans) te vertellen via het paard.
Nu zal ik mijn getuigenis doen. Immers, ieder die bij de gebeurtenis betrokken was, mag zijn zegje doen en ik was er nu eenmaal bij betrokken, zo simpel is het! Sterker nog, als ik er niet was geweest, dan had de hele gebeurtenis niet plaatsgevonden. Als ik de slachtoffers niet naar het bewuste bos had gebracht, dan waren zij nooit in dat bos geweest op het tijdstip van de moord en dan had het hele geval nooit plaatsgevonden. Ik was er echter wél en daardoor ligt mijn baas nu dood in het bos en is mijn bazin een leugenachtig wezen.
Aangenaam, ik ben het paard van de vermoorde samoerai.
Ik zal het kort houden; de hele gebeurtenis heeft jaren geleden plaatsgevonden en er is niets meer aan te doen. Maar ik wil, nu mijn laatste uren zijn aangebroken, toch míjn kant van het verhaal vertellen. Daarbij wil ik toevoegen dat ik de waarheid zal spreken; ik ben een stille ooggetuige en bovendien de enige voor wie het niet uitmaakt wat de waarheid is, in zoverre, dat ik in geen enkel scenario schuldig zal zijn.
Mijn baas en zijn vrouw gingen die ochtend al heel vroeg naar de stallen, waar ze expliciet om mij vroegen. Waarom? Ik zal het nooit weten, maar ik weet wél dat ik me zeer vereerd voelde dat de vrouw op mij wilde rijden. Hij, mijn baas, zou mij leiden en zijn vrouw zou op mijn rug reizen; we moesten een flink eind, maar zouden diezelfde dag nog aankomen op de plaats van bestemming. Waar we heen gingen weet ik tot op de dag van vandaag niet, en ik zal het ook nooit weten.
We waren zo’n anderhalf uur onderweg toen we bij de bosrand aankwamen. Mijn baas leek te twijfelen en wilde liever om het bos heen, maar dat zou veel extra tijd kosten en mijn bazin spoorde hem aan toch door het bos te gaan. Mijn baas hield erg veel van haar, hoewel wij paarden haar nooit hebben gemogen: omwille van haar besloot hij toch het bos te doorkruisen. We liepen steeds dieper en dieper het bos in; het werd donkerder, de bomen stonden dichter op elkaar en op aandringen van bazin verlieten we het pad, om een kortere weg te nemen. Het ging mis toen we midden op een open plek stonden.
Een man kwam uit het struikgewas en hij ving een glimp op van mijn bazin, omdat de wind haar sluier wegblies. Als die wind er niet was geweest, was het allemaal nooit gebeurd. Maar de wind was er wel, de man zag mijn berijdster en zij, ik weet het zeker, herkende hem. De man leek ons in eerste instantie met rust te laten, maar hij volgde ons; ik hoorde hem vlak achter me door het struikgewas sluipen maar ik kon niets doen, mijn baas werd kwaad omdat ik begon te draven maar het enige wat ik wilde doen was mijn baas tegen deze man beschermen, ik voelde dat hij gevaarlijk was… Het mocht niet baten. Mijn baas liet me stilstaan, zijn vrouw gleed van mijn rug af en voor mijn baas iets kon doen, had de man haar vastgegrepen en meegetrokken. Ze deed niets om hem tegen te werken, ze liet zich gewillig meevoeren, twee, drie, vier meter van mij vandaan. Ik werd onrustig, ik zag mijn baas rood aanlopen van woede. Zijn anders zo vriendelijke ogen stonden kil en voor het eerst van mijn leven was ik bang voor hem. Hij trok zijn zwaard; ook de vreemdeling trok zijn zwaard en er ontstond een gevecht tussen de twee mannen. Ze waren aan elkaar gewaagd, geen van beiden was beter dan de ander. Toen, plotseling, trok de vrouw plotseling haar dolk. Het was een prachtige dolk, ingelegd met edelstenen en met een handvat van parelmoer; mijn baas had hem haar als verlovingscadeau gegeven. Ik dacht dat ze mijn baas zou helpen: het kwam niet vaak voor, maar ik wist dat ze enige lessen in het zwaardvechten had gekregen. Ik kreeg de schok van mijn leven; zij viel uit, dolk naar voren, maar naar de verkeerde persoon! Haar dolk doorkliefde de borst van mijn baas. Er kwam een raspend geluid uit zijn keel, en hij zakte voorover op de grond. Ik keek naar haar; en ze lachte. Ze lachte, leugenachtig, verschrikkelijk schepsel. Zíj vermoordde mijn baas, zíj vermoordde de man die dacht dat zij hem liefhad. Míjn baas, háár man, lag nu dood op de grond en zij? Zij lachte.
Ik ben nog nooit zo kwaad geweest: ik ben in volle galop weggegaloppeerd van die plek, die verdoemde plek, de plek waar die vrouw mijn baas vermoord heeft. Toen ik bijgekomen was en wat gedronken had uit de rivier ben ik nog teruggegaan naar mijn baas. Daar lag hij, stervende, besmeurd met geronnen bloed, op de grond. Van de vrouw en de vreemdeling was geen spoor meer te bekennen; ik zag enkel een stukje verderop haar hoed in het struikgewas liggen. Ik ben bij mijn baas gebleven, tot het bittere eind. Zijn laatste ademtocht blies hij uit en ik voelde zijn laatste adem op mijn neus. Ik ben bij hem gebleven, tot hij gevonden werd door een man die door het bos liep: ik moest hem achterlaten en ik werd teruggebracht naar huis, naar stal, maar ik ben het nooit vergeten.
Ik weet dat niemand meer naar mij zal luisteren. De man die mijn baas vermoordde woont nu in zijn huis, hij is getrouwd met de vrouw van mijn baas en hij is onschuldig verklaard. Het hele geval is afgedaan als zelfmoord, maar ik weet wel beter. Mijn baas is al jaren dood en begraven, maar ik ben hem nooit vergeten. Nu is mijn laatste uur aangebroken, en eindelijk heb ik mijn verhaal verteld. De waarheid zal nooit meer aan het licht komen, want niemand zal ooit luisteren naar een oud paard als ik. Maar ik heb verteld wat er is gebeurd, de enige echte waarheid, en nu kan ik vredig inslapen. Ik ga naar een, hoop ik, betere wereld.
In mijn dromen
Niet zo lang geleden heb ik dit verhaal geschreven voor een bijdrage aan de schoolkrant. Weet nog niet of het daar ook daadwerkelijk inkomt, maar hier publiceer ik het maar alvast. Het is een mengeling van twee verhalen die ik al eens eerder had geschreven, maar over beide was ik niet tevreden. Daarom heb ik deze mengelmoes geschreven, waar ik een stuk tevredener over ben. Het is een avontuurlijk verhaal – normaal gezien niet helemaal mijn stijl, maar ik vind het toch best aardig geworden. Commentaar is natuurlijk altijd welkom.
Ik lig op mijn handdoek op het strand. Ik heb mijn ogen dicht, de zee ruist op de achtergrond. De zon staat hoog aan de hemel, ik voel de stralen op mijn huid tintelen. Ik ben nog nat van de duik in zee die ik net heb genomen, maar koud is het niet: het is bijna dertig graden. Overal om me heen hoor ik mensen praten, giechelen of fluisteren; in de branding spelen kinderen
wedstrijdjes tegen de golven, zandkastelen bouwen of tikkertje.
Dan schiet ik overeind. Een ongemakkelijk gevoel bekruipt me en het duurt even tot ik me realiseer wat het is: de stilte. Een oorverdovende stilte. Ik kijk om me heen: de zon schijnt en de lucht is strakblauw, maar het strand is ineens compleet verlaten. Het lijkt of zelfs de zee niet echt meer is, het kalme ruisen van de golven ontbreekt. Rillend krabbel ik overeind, het is kil aan het worden en ik sla mijn handdoek om me heen. Instinctief begin ik richting de zee te lopen, de zee die er zo angstaanjagend glad uitziet: het is compleet windstil en zelfs het kleinste golfje ontbreekt. Hoe dichterbij ik kom, hoe killer het lijkt te worden. Af en toe kijk ik om me heen maar er is nogal altijd niemand. En dan zie ik het: van een afstand leek het een ondiepe kuil, alsof hij gegraven was door een stel kinderen, maar nu ik dichterbij kom zie ik dat de kuil in werkelijkheid een iets dieper gelegen luik is. Ik hurk, veeg een beetje zand van het luik en trek dan aan het handvat: het luik is loodzwaar maar het lukt: krakend en piepend weet ik het open te krijgen. Ik kijk naar beneden: een grote, zwarte leegte. Dan hoor ik een langzaam, slepend geluid in het zand. Bonk, bonk.
Plotseling valt er een schaduw over de kist. Nog voordat ik het besef heb om achterom te kijken wordt er een zware hand op mijn schouder gelegd. Vanuit mijn ooghoeken zie ik nog net de vingertoppen, zwart van het vuil. Ik schrik zelf van mijn reactie: zonder verder na te denken spring ik in de grote, zwarte leegte. Ik verwacht vaste grond onder mijn voeten te voelen, maar in plaats daarvan lijkt het alsof ik tot in het oneindige zal blijven vallen. Ik kijk naar boven: ik zie de gedaante me nakijken. In één van zijn handen houdt hij iets glimmends.
Het lijkt een eeuwigheid te duren voordat ik met een doffe klap op de grond terechtkom en even wordt alles zwart voor mijn ogen. Als ik weer bij zinnen ben, beweeg ik voorzichtig mijn ledematen. Alles doet het nog. Ik sta op en ik schrik als ik om me heen kijk: ik sta aan het begin van een tunnel met aan weerszijden brandende fakkels. Voorzichtig, voetje voor voetje, volg ik de muur totdat mijn ogen aan het schemerduister gewend zijn.
Behalve de brandende fakkels beweegt er niets en is het volkomen stil in de gang.
De tunnel lijkt oneindig lang. Af en toe buigt hij af, soms sterk, soms slechts een flauw bochtje: dan weer een hele tijd rechtuit. Naarmate ik langer de tunnel volg begin ik echter meer geluiden te horen: één keer hoor ik ergens, heel in de verte, een klap en even later hoor ik van achter me zachtjes een ritmisch bonkend geluid, dat nog het meest lijkt op voetstappen. Bonk, bonk. Ik begin harder te lopen, want in de verte zie ik een bundel van licht opdoemen. Het geluid achter me wordt steeds luider en ik ren nu bijna: de voetstappen gaan ook sneller en sneller. Dan zie ik een deur in de linkermuur: ik trek hem op een kier, wurm me erdoor heen en doe hem snel weer achter me dicht. De voetstappen in de tunnel verstommen
plotseling.
Hijgend kijk ik om me heen: ik sta in een kleine, ronde kamer. In het midden staat een grote, eikenhouten tafel met een bordeauxrood kleed erover en een brandende olielamp erop. Ernaast ligt een vel oud papier en een pauwenveer naast een tot de rand gevuld inktpotje. Ik loop naar de tafel toe: het vel is onbeschreven. Aan de muur hangt slechts één schilderij. Met een schok herken ik het strand, waar de kinderen spelen in de branding. De handdoek die ik nog steeds om me heen heb geslagen is ook afgebeeld, in het centrum van het schilderij: er ligt alleen niemand op…
Recht tegenover de deur staat een kast met boeken. Ik hou mijn hoofd schuin en probeer de titels te lezen, maar het lukt niet. Ik herken de letters, maar kan ze niet plaatsen in mijn hoofd, ik kan er geen woorden mee vormen. Ik strijk met mijn vingertoppen over de ruggen van de boeken: geen stofje te bekennen. De plank is niet helemaal gevuld met boeken: links staat een mandfles met een vreemde, donkerpaarse inhoud. Ik onderdruk de aandrang de dop eraf te schroeven en te ruiken of zelfs te proeven: iets houdt me tegen en misschien is dat maar goed ook. Als ik verder kijk zie ik tot mijn grote verbazing op de onderste plank een klein borstbeeld staan van een man met een haakneus en lang, krullend haar. Net als ik me afvraag wie dat zou kunnen zijn, hoor ik de deur kraken.
Het duurt even voordat mijn voeten me gehoorzamen. Ik spring onder de tafel en trek het kleed iets meer naar voren, zodat ik met een beetje geluk niet te zien ben. Net op tijd, de deur gaat piepend en krakend open. In de deuropening staat een man met een haakneus en lang, krullend zwart haar. Hij lijkt griezelig veel op het borstbeeld in de kast… Even blijft hij staan en hij kijkt zoekend de kamer rond. Dan beent hij de kamer in: bonk, bonk.
Hij doorzoekt de kast, neemt nog snel een grote slok uit de mandfles en trekt dan in één beweging het tafelkleed weg. Verstijfd van schrik kijk ik hem in de ogen. Hij kijkt naar me alsof hij niemand anders had verwacht en trekt me aan mijn arm onder de tafel vandaan. Tot mijn grote schrik laat hij dolk uit zijn mouw glijden. Hij pakt hem bij het heft en hij tilt de dolk op. Ik doe mijn ogen dicht en wacht op de klap…
Badend in het zweet schrik ik wakker. Vluchtig kijk ik om me heen: een jongetje rent voorbij met een emmertje en schepje in de hand. In de verte blaft een hond: ik hoor mensen praten, fluisteren of giechelen. De zee ruist op de achtergrond. In de branding spelen kinderen: ze bouwen zandkastelen of spelen tikkertje. Het is warm, bijna dertig graden. De zon schijnt.
Mijn hand beweegt langzaam, als vanzelf, naar mijn hals.
‘Dus… Wie heeft Caligula vermoord?’ Ik schrik wakker. Het duurt even voordat ik weer helemaal bij zinnen ben en ik besef dat me een vraag gesteld wordt. Razendsnel probeer ik de tijd terug te spoelen om de vraag te achterhalen. Naast me fluistert een vriendin ‘de prefect van de praetoriaanse garde…’. Gelukkig wordt de leraar ongeduldig en hij stelt de vraag aan iemand anders.
Mijn hand glijdt langs mijn hals. Ik voel een dun litteken.